Literatuur:
Definitie van pesten
Pesten is het systematisch uitoefenen van psychische- en/of fysieke mishandeling door een kind of een groep kinderen van 1 kind dat niet in staat is zichzelf te verdedigen.
Definitie van plagen
Het zondebok verschijnsel
Een kind in een geisoleerde positie wordt bedreigd door de rest van de groep.
De pester
Slachtoffer
De rest van de klas is onderverdeeld in groepen met verschillende belangen.
Mechanismen die een rol spelen bij het zondebok fenomeen.
Soorten zondebokken.
Ieder kind kan het in zich hebben om een zondebok figuur te worden, als het maar afwijkt van de door de meerderheid vastgestelde norm!
De pester, het slachtoffer en de rest van de klas hebben er belang bij om niet te praten. Hierdoor merken leerkrachten en ouders het vaak niet op.
Theorie achter het zondebok fenomeen.
Het zondebokfenomeen, is vijandig gedrag tegen een onschuldig en hulpeloos slachtoffer, dat optreedt wanneer en omdat de eigenlijke bron van frustratie niet aanwezig is of om welke reden ook niet aangevallen kan worden.
Er is dus altijd sprake van een verstoord groepsevenwicht.
Hoe
kinderen pesten
Met
woorden:
Vernederen:
Hou jij onze handschoenen maar even vast, dat is toch het enige dat jij kunt.
Schelden:
Viezerik, vuurtoren, schele.
Dreigen:
Je vertelt het niet aan de meester, want dan pakken we je straks.
Belachelijk
maken, uitlachen.
Kinderen
niet bij hun eigen naam noemen maar altijd bij een bijnaam.
Gemene
briefjes schrijven.
Lichamelijk:
Trekken
aan kleding, duwen, sjorren.
Schoppen
en slaan.
Krabben,
bijten en haren trekken.
Met
wapens: messen, stokken.
Door
achtervolging enz.:
Achterna
lopen, opjagen.
In
de val laten lopen, klem zetten.
Opsluiten.
Door
uitsluiting:
Doodzwijgen:
niet reageren op wat het kind doet of zegt, niet tegen hem/haar praten.
Uitsluiten:
het kind mag niet meedoen met spelletjes, niet meelopen naar huis, niet komen op
een verjaardag.
Door
stelen of vernielen van bezittingen:
Afpakken
van kledingstukken en andere spullen.
Beschadigen
van spullen: kliederen op boeken, schoppen en gooien met een schooltas, banden
lek steken.
Door
afpersing:
Dwingen
om geld of spullen af te geven.
Dwingen
om iets voor de pesters te doen: geld of snoep meenemen, een klus opknappen.
De
vijfsporenaanpak
Bij
het bestrijden van pesten wordt meestal uitgegaan van de vijfsporenaanpak:
Steun
bieden aan het kind dat gepest wordt:
Naar
het kind luisteren en haar/zijn probleem serieus nemen.
Met
het kind overleggen over mogelijke oplossingen.
Samen
met het kind werken aan oplossingen.
Zonodig
zorgen dat het kind deskundige hulp krijgt, bijvoorbeeld een sociale
vaardigheidstraining.
Assertiviteitstraining.
Steun
bieden aan het kind dat zelf pest:
Juridisch gesprek, waarin straf wordt gegeven aan de pester.
Probleemoplossend gesprek, daarin legt men de oorzaak van het pestgedrag bloot en maakt de pester gevoelig voor wat hij met de gepeste leerling uithaalt.
Met het kind bespreken wat pesten voor een ander betekent.
Het kind helpen om op een positieve manier relaties te onderhouden met andere
kinderen.
Het kind helpen om zich aan regels en afspraken te houden.
Zonodig
zorgen dat het kind deskundige hulp krijgt, bijv. een sociale
vaardigheidstraining.
De
middengroep betrekken bij de oplossingen van het pestprobleem:
Met
de kinderen praten over pesten en over hun eigen rol daarbij.
Met
de kinderen overleggen over mogelijke oplossingen en over wat ze zelf kunnen
bijdragen aan die oplossingen.
Samen
met de kinderen werken aan oplossingen, waarbij ze zelf een actieve rol spelen.
De school (of de club, het buurthuis, de sportschool) steunen bij het
aanpakken van het pesten:
De
leerkrachten en de rest van de schoolorganisatie informatie geven over pesten
als algemeen verschijnsel en over het aanpakken van pesten in de eigen groep en
de eigen school.
Werken
aan het tot stand brengen van een algemeen beleid van de school rond veiligheid
en pesten waar de hele school bij betrokken is.
De
ouders steunen:
Ouders
die zich zorgen maken over pesten, serieus nemen.
Informatie
en advies geven over pesten en de manieren waarop pesten kan worden aangepakt.
In
samenwerking tussen school en ouders het pestprobleem aanpakken.
Zonodig
ouders doorverwijzen naar deskundige ondersteuning.
Onjuiste stelling omtrent pesten (H. Janssens; gedrags- en werkhoudings- en zorgverbreding)
Pesten is normaal.
Het kind roept het kind over zichzelf af.
Het kind moet maar meer over zichzelf afbijten.
Het moet moet meer sociale vaardigheid leren om zich te verweren.
Het kind moet zich meer aanpassen aan de groep.
Opvallend gedrag van de zondebok.
Claimen van kinderen die wel eens aardig zijn.
Overdreven gedrag. (op een eigenaardige manier blij, aardig of bos zijn)
Afkoop gedrag.
Klikken
Sociaal en inadequaat reageren.
Deze gedragingen zijn niet de oorzaak maar het gevolg van gepest worden.
Gedrag van de pesters.
Klein groepje leerlingen. Op te merken via observatie.
Onderling smoezen en samenscholen.
Negatieve rol van de mentor.
Te passief.
Kan af en toe meedoen aan het pestgedrag, doordat hij alleen oog heeft voor het vreemde gedrag van het kind.
De rol van de ouders.
Negatieve rol ouders:
Het kind halen en brengen. (overbescherming)
Afkoop gedrag tegenover pesters.
Claimen van kinderen uit de tussengroep die wel eens aardig zijn.
Naar de ouders van de pester gaan. (Het pestende kind kan wraak nemen voor de straf die het van de ouders krijgt.
Positieve rol van de ouders.
Bespreekbaar maken via de groepsmentor.
Gevoel van eigenwaarde herstellen.
Het voortgezet onderwijs.
Pesten
komt het meeste voor op school.
Daardoor
werkt het het beste als de school het pestprobleem signaleert en er samen met
andere betrokkenen iets aan doet.
Het
belangrijkste wat de school kan doen is het pesten zoveel mogelijk voorkómen.
De school moet voor iedereen een veilige en prettige plek zijn.
Voor
een deel moet dat in de klassen zelf gebeuren. Als leraren de leerlingen serieus
nemen en ze niet afkatten, geven ze een positief voorbeeld. Ook is het
belangrijk dat leraren een duidelijke houding hebben met betrekking tot
conflicten tussen de leerlingen onderling, bijvoorbeeld door geen partij te
kiezen.
De
mentor of klasseleraar van een klas heeft daarbij een speciale taak. Deze kan
sociale conflicten en pestsituaties met de klas bespreken en er samen met de
klas oplossingen voor bedenken.
Pesten
komt veel voor in de gangen, in de kantine en op het schoolplein. Daarom is het
nodig dat de school als geheel een beleid ontwikkelt tegen pesten zodat
leerlingen en ouders er op kunnen vertrouwen dat de school voor iedereen een
veilige plaats is.
Voorkómen
en bestrijden van pesten
Pesten
is geen eenvoudig probleem. Daarom lijkt het vaak onoplosbaar. Toch is pesten
wel te bestrijden als het serieus wordt genomen.
Dat
betekent dat kinderen moeten weten dat ze om hulp kunnen aankloppen bij de
volwassenen om hen heen. Voor volwassenen betekent het, dat ze aandacht moeten
hebben voor de signalen van de kinderen. Ze moeten luisteren naar wat de
kinderen te vertellen hebben en daar over praten. Voor leerkrachten en
begeleiders van groepen in de vrije tijd betekent het dat ze groepsgesprekken
moeten voeren, regels moeten afspreken en zorgen dat die regels ook werken.
Het
pestprobleem wordt lang niet altijd serieus aangepakt: ouders zeggen dat een
kind maar van zich af moet bijten, leerkrachten hebben het te druk en de trainer
vindt het zijn verantwoordelijkheid niet.
Als
volwassenen alleen af en toe ingrijpen, kan dat verkeerd uitpakken. Gepeste
kinderen worden daarna nog meer het slachtoffer omdat ze 'geklikt' hebben.
Daarom
is het belangrijk om het pestprobleem degelijk aan te pakken. Daarbij zijn alle
betrokkenen nodig. Ieder van hen kan een begin maken met het oplossen van het
pestprobleem.
Kinderen
die worden gepest kunnen beginnen door met hun ouders, leerkrachten of andere
vertrouwde volwassenen te gaan praten. Ze kunnen ook om raad vragen,
bijvoorbeeld bij de kindertelefoon.
Andere
kinderen kunnen bij hun ouders of leerkrachten aankaarten dat er gepest wordt.
Ouders
kunnen met hun kinderen gaan praten en het probleem met andere ouders, op school
of in de speeltuin bespreken.
Leerkrachten
kunnen het pesten als algemeen probleem regelmatig in hun klas bespreken. Ze
kunnen proberen in de klas een open en vriendelijke sfeer te creëren. Concrete
pestsituaties kunnen ze met de betrokken kinderen bepraten. Samen met hun
collega's kunnen ze werken aan een schoolbeleid rond sociale regels en pesten.
De
directie van een school of buurthuis, het bestuur, de ouderraad of de
medezeggenschapsraad kunnen de manier van omgaan bespreken en toewerken naar een
beleid daarover.
Begeleiders
van groepen, trainers en anderen die te maken hebben met kinderen buiten
schooltijd, kunnen het pesten met de kinderen bespreken. Ze kunnen proberen de
samenwerking tussen de kinderen bevorderen.
Anderen,
zoals de wijkagent of de schoolarts, kunnen sociale problemen tussen kinderen
die zij hebben geconstateerd aan de orde stellen in hun contacten met scholen en
buurthuizen. Ook kunnen zij door hun bijzondere positie soms net een andere
invloed uitoefenen op de kinderen dan leerkrachten en begeleiders.
Pestprotocol
Enkele
jaren geleden is daartoe door de landelijke ouderorganisaties in het onderwijs
een Nationaal Onderwijsprotocol tegen Pesten ontwikkeld. Het is de bedoeling dat
alle onderdelen van een school (bestuur, team, medezeggenschapsraad,
leerlingenraad en ouderraad) dit protocol onderschrijven.
Het
ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ontwikkelt beleid rond De
Veilige School. Het streven is, de school te maken tot een plek waar iedereen
zich veilig kan voelen. Zaken als seksuele intimidatie komen daarbij aan bod,
maar ook geweld op school en pesten.
Natuurlijk
zijn projecten en beleidsplannen op zichzelf geen oplossing voor het pesten op
school. Ze kunnen wel een belangrijke aanzet geven.
Ouders
kunnen er aan meewerken dat op de school van hun kinderen een anti-pest-beleid
wordt ontwikkeld. Door gesprekken met de leerkracht of via de ouderraad of de
medezeggenschapsraad kunnen zij het onderwerp aan de orde brengen.