Wat is gedragstherapie?
Een vorm van psychotherapie die sinds het begin van de jaren zestig bestaat.
Uitgangspunt hierbij is dat ongewenst gedrag is aangeleerd en dus ook weer
afgeleerd kan worden. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van eenvoudige
leerprincipes zoals conditioneren. De therapie is geschikt voor een scala van
problemen zoals: angstigheid voor bepaalde situaties (fobie), dwanghandelingen
en slechte gewoonten, zoals roken, bedplassen en veel drinken.
Psychische klachten zijn soms terug te voeren op negatieve ervaringen in iemands
verleden. Door zulke ervaringen kan iemand ook negatieve ideeën over zichzelf
krijgen. Factoren in iemands omgeving zijn ook van invloed op psychische
klachten. Als iemand in omstandigheden verkeert die het hem of haar moeilijk
maken bevredigend te functioneren, kan dat psychische klachten in de hand
werken. Het is dan ook belangrijk om zulke omgevingsfactoren te betrekken in de
behandeling. Ook belangrijke levensgebeurtenissen zoals een geboorte,
echtscheiding of sterfgeval kunnen psychische problemen in gang zetten of
verergeren.
Soms is het zo dat psychische klachten of problemen gekoppeld kunnen worden aan
een bepaalde gebeurtenis of situatie. Als iemand ooit op straat of in de tram in
paniek is geraakt, kan dat later opnieuw gebeuren als de persoon in dezelfde
situatie komt. Men heeft als het ware geleerd om in een bepaalde situatie op een
bepaalde manier te denken of te handelen. Als dat negatieve gevolgen voor de
persoon heeft, kunnen ernstige psychische problemen ontstaan. Het is niet altijd
mogelijk om een aanleiding te vinden voor het ontstaan van de klachten. Ook is
het meestal niet mogelijk om de aanleiding weg te nemen.
In gedragstherapie kan een cliënt leren anders om te gaan met datgene waar hij
bang voor is of moeite mee heeft. Met behulp van de therapie kan men nieuwe,
positieve ervaringen opdoen: in een relatie of in contacten met anderen privé
of op het werk. Daardoor groeit het zelfvertrouwen en verminderen de klachten.
Het voordeel van de behandelwijze is verder dat in relatief korte tijd goede
resultaten geboekt kunnen worden. Belangrijke therapeutische technieken binnen
de gedragstherapie zijn onder andere systematische desensitisatie, rollenspel,
imaginatie, aversietherapie en implosieve therapie (flooding).
In nagenoeg alle handboeken voor gedragstherapie wordt de hond in het
laboratorium van Pavlov ten tonele gevoerd. We treffen daar een hond aan,
vastgebonden in een tuig en een fistel in zijn kaak. De hond scheidt
onmiddellijk speeksel af als hij vleespoeder op zijn tong krijgt toegediend. Dat
gebeurt niet als hij een geluidstoon hoort; dan spitsen - althans in het begin -
alleen zijn oren. Als deze enigszins merkwaardige manier van voederen een aantal
malen voorafgegaan wordt door het geluid van de toon, blijkt het dier ook te
speekselen als alleen de geluidstoon wordt aangeboden. Het heeft dus iets
geleerd wat overigens ook weer afgeleerd kan worden, door namelijk alleen nog
maar de toon te laten horen, zonder dat daarna vleespoeder wordt toegediend. We
noemen dit conditioneren.
Op dit onderzoek heeft J.B.Watson in Amerika later het behaviorisme gebaseerd.
Gedrag ook abnormaal gedrag, was volgens hem net als een geconditioneerde reflex
zoals bij de hond, aan en af te leren.
Als we deze hond in een iets vrijere ruimte gaan conditioneren, krijgen we een
veel complexer geheel van responsen te zien dan alleen het afscheiden van
speeksel. Op het horen van de toon, een aantal malen voorafgegaan aan het
verkrijgen van voedsel, begint de hond niet alleen te speekselen maar we zien
hem kwispelstaartend, 'blij' blaffend naar de plek lopen waar het voedsel
verschijnen zal, klaar om te gaan eten. Er doet zich bij de hond een complex
geheel van reacties voor namelijk:
- fysiologische responsen: de meeste daarvan zijn slechts constateerbaar met
behulp van daartoe geschikte instrumenten;
- motorische responsen/handelingen: de hond rent naar de plek waar het
voedsel zal komen en staat klaar om te beginnen;
- 'verbale'/expressieve responsen: als tenminste het blaffen en genoeglijk
kreunen zo betiteld mogen worden
Aan deze direct waarneembare responsen liggen activiteiten ten grondslag als
aandacht en waarneming en we kunnen veronderstellen dat er zich in het
organisme processen afspelen als:
- geheugen en cognities: de hond weet kennelijk waar het voedsel zal komen;
- prettige belevingen: als tenminste kwispelstaarten en 'genoeglijk kreunen'
beschouwd mogen worden als uitdrukkingen van een soort emotie;
en er is ook zoiets als een
- drijfveer (honger) die de hond tot dit leren aanzet, want als hij net
gegeten heeft kan hij niet geconditioneerd worden of zal hij -
geconditioneerd zijnde - niet reageren op de toon.
Het is dus van belang in het oog te houden dat de hond veel meer geleerd heeft
dan alleen maar een speekselreactie.
Als de hond volgens dezelfde procedure na de toon een elektrische schok krijgt
toegediend, krijgen we eveneens een complexe gedragsreactie te zien, maar van
een ander soort. De hond vertoont angst; hij kruipt na het horen van de toon zo
ver mogelijk weg van de plek waar de schok wordt toegediend; hij jankt
'klaaglijk' met de staart tussen zijn benen.
Dit hele complex van responsen en processen is onderwerp van studie in de
psychologie en wordt gedrag genoemd. Psychologie wordt daarmee bepaald als de
wetenschap van het gedrag. Gedrag is dan niet, zoals in het gewone taalgebruik,
het handelen - iemand gedraagt zich bijvoorbeeld niet netjes - het is de
complexe interactie tussen een organisme en zijn omgeving, waarin allerlei
functies een rol spelen, zoals waarnemen, onthouden, voorstellen, denken,
streven, voelen en handelen.
Een meer kernachtige definitie luidt: 'gedrag is een betekenisvolle reactie op
een betekenisvolle situatie'. De term 'betekenisvol' - ook wel zinvol - zondert
het gedrag af van alle andersoortige reacties op stimuli, zoals de
kniepeesreflex of de spijsvertering. Betekenisvol houdt in dat er niet
gereageerd wordt op de fysieke stimuli als zodanig maar op de cognitieve
verwerking daarvan.
Deze definitie van gedrag brengt meteen twee soorten van spraakverwarring aan
het licht. De eerste is al aangestipt. Gedrag betekent in het gewone
spraakgebruik het uitwendig, constateerbare handelen. In het psychologisch
vakjargon echter is het de totale complexe interactie zoals hierboven
beschreven. Gedrag staat dan voor het totale complex van interacties met de
omgeving, anders wordt liever gesproken over handelen, handelwijze, activiteit,
motorisch gedrag of uitwendig gedrag.
Een tweede verwarring geldt de term cognitie. Meestal wordt daaronder verstaan
de bewuste activiteit die ieder normaal mens bij zichzelf herkent. In feite is
dit bewuste, reflexieve denken echter niet de enige vorm van cognitie die in het
gedrag een rol speelt. Integendeel, de meest essentiële rol is de cognitieve
verwerking van stimuli die grotendeels onbewust verloopt.
Terzijde zij hier alvast opgemerkt dat het onderwerp van de psychologie ook het
onderwerp is van de psychotherapie. Psychotherapie heeft altijd te maken met het
gedrag in deze brede betekenis. Psychotherapiescholen onderscheiden zich door de
keuze van het aangrijpingspunt, gedragstherapeuten kiezen voor de uitwendig
constateerbare responsen om van daaruit óók inwendige processen te beïnvloeden.
De nadruk ligt daarbij op 'ook', want zeer vaak wordt ten onrechte verondersteld
dat de gedragstherapeut zich voor het 'inwendige' niet zou interesseren. In het
aangehaalde onderzoek van Pavlov liggen de belangrijkste kenmerken van de
gedragstherapie vervat, namelijk haar nauwe relatie met de experimentele
psychologie en het leermodel als axioma. Deze twee vormen de wetenschappelijke
basis van de gedragstherapie.
Hoe werkt gedragstherapie?
Gedragstherapie is een vorm van psychotherapie waarin het menselijk gedrag in
wisselwerking met omgevingsfactoren centraal staat. Iedereen doet, denkt en
handelt op een bepaalde manier. In de loop van ons leven hebben we veel gedrag
aangeleerd.
Iemand die psychische problemen heeft, kan leren anders te denken en of dingen
anders aan te pakken dan voorheen. Gedragstherapie is gericht op het opheffen
van concrete problemen of klachten. Voorbeelden van zulke klachten zijn:
angstklachten, fobieën, depressies, verslavingsproblemen en dwanghandelingen.
Het gaat er vooral om de huidige klachten te verminderen. Soms kunnen ervaringen
uit het verleden daarbij ter sprake komen.
Een belangrijk uitgangspunt is de leertheoretische benadering dat wil zeggen dat
sommige vormen van 'abnormaal gedrag' zijn aangeleerd en door dezelfde
leerprocessen ontstaan en in stand blijven als 'normaal' gedrag. De
therapeutische behandelingsvormen zijn vooral gericht op de factoren die
ongewenst gedrag instandhouden.
De gedragstherapeut past leerprincipes toe die in experimenteel onderzoek zijn
vastgesteld. Sommige procedures zijn ontleend aan het operante, andere aan het
klassieke paradigma. Bij weer andere gedragstherapeutische methoden wordt
gebruik gemaakt van zowel operante als klassieke leerprincipes. Operante
procedures zijn vooral gericht op gedragsverandering. Klassieke procedures op
het veranderen van betekenissen. De gedragtherapie is zeker niet alleen gericht
op het waarneembare gedrag van cliënten. De laatste decennia zijn bijvoorbeeld
allerlei varianten van cognitieve gedragstherapie ontstaan. Deze bestaan onder
meer uit procedures om disfunctionele denkwijzen af te leren of cognitieve
vaardigheden aan te leren.
Gedragstherapie wordt toegepast bij verschillende psychische stoornissen zoals
bijvoorbeeld bij angststoornissen, alcohol- en drugsproblemen en seksuele
stoornissen.
Een belangrijk onderdeel van een gedragstherapeutische behandeling is de
zogenaamde functieanalyse. Dit houdt in dat de therapeut in kaart brengt wat er
aan probleemgedrag voorafgaat (antecedente factoren) en welke gevolgen het
gedrag heeft (consequente factoren). Dit lijkt heel eenvoudig, maar de eenvoud
van dit denkschema is misleidend zodra men het in de praktijk moet toepassen.
Het begint al met de moeilijkheid om de problemen die de cliënt naar voren
brengt, te omschrijven in termen van concreet gedrag. Dikwijls formuleren cliënten
hun problemen in zeer algemene bewoordingen: 'Hij is agressief', 'Ik ben zo
lusteloos', of 'We hebben moeilijkheden bij de opvoeding van de kinderen'.
Een meer concrete invulling van de problemen is een eerste noodzakelijke stap.
Met dezelfde nauwkeurigheid gaat de therapeut op zoek naar antecedenten en
consequenten. Voor het verkrijgen van inzicht in de betekenis van het gedrag is
vooral de duidelijk omlijning van de antecedenten van belang: 'in welke situatie
doet het gedrag zich voor en in welke situatie niet?'. De functieanalyse is de
kern van het gedragstherapeutische proces, omdat zij de verbinding vormt tussen
experimenteel geverifieerde leerprincipes en de klinische praktijk, tussen het
algemeen geldende theoretische model en het behandelingsplan dat op het individu
is toegesneden.
Gedragstherapie is een relatief jonge behandelvorm in de klinische praktijk. De
doorbraak van de gedragstherapie vond plaats aan het einde van de jaren vijftig,
toen een aantal invloedrijke publicaties verscheen van Wolpe (1958), Skinner
(1959) en Eysenck (1960). Vooral het boek van de psychiater en psychoanalyticus
Wolpe wordt algemeen beschouwd als een mijlpaal in de geschiedenis van de
gedragstherapie. Wolpe beschreef daarin de systematische desensitisatie, een
techniek waarbij de patiënt stapsgewijs wordt geconfronteerd met steeds
angstwekkender stimuli.
Bij systematische desensitisatie gaat het vaak om imaginaire confrontatie met de
gevreesde stimuli: 'de cliënt wordt niet werkelijk met de gevreesde situatie
geconfronteerd, maar krijgt de opdracht zich voor te stellen dat hij zich in die
situatie bevindt'. Het doel van deze techniek is de angstreactie geleidelijk te
laten uitdoven. Daartoe worden stimuli die angst uitlokken, gekoppeld aan
stimuli die de cliënt prettig vindt. Deze laatste stimuli roepen een reactie op
die onverenigbaar is met de angstreactie. Om die reden wordt wel gesproken van
de antagonistische respons. Veel gebruikte antagonistische reacties zijn
spierontspanning en aangename fantasieën die een rustgevend effect hebben (de
cliënt stelt zich bijvoorbeeld voor dat hij op een rustig strand ligt en de zee
hoort ruisen).
Om de gevreesde stimuli geleidelijk te kunnen aanbieden, moeten cliënten eerst
een angsthiërarchie maken waarin zij situaties in volgorde van angstwekkendheid
rangordenen. In ontspannen toestand moet de cliënt zich vervolgens de minst
angstwekkende situatie van de angsthiërarchie voor de geest halen. De
antagonistische respons (ontspanning) zorgt ervoor dat deze situatie die
voorheen angst opriep, nu weinig of geen angst ontlokt. Na confrontatie met de
minst gevreesde stimuli worden in volgorde van angstwekkendheid de volgende
stimuli een voor een aangepakt.
Systematische desensitisatie is vooral bruikbaar bij cliënten met een duidelijk
omschreven angst voor objecten of situaties, maar ook cliënten met andere
klachten waarin angst een rol speelt, kunnen baat hebben bij deze
gedragstherapeutische techniek.
In de loop der jaren zijn andere procedures voor blootstelling aan gevreesde
situaties (exposure-therapie) ontwikkeld. Een bekend voorbeeld is flooding, een
minder zachtzinnige techniek dan systematische desensitisatie. Bij flooding
wordt de cliënt namelijk niet geleidelijk met de gevreesde stimulus
geconfronteerd, maar meteen langdurig aan de meest vreeswekkende stimulus bloot
gesteld, totdat de cliënt geen angst meer vertoont. Iemand met hoogtevrees moet
bijvoorbeeld (in gedachten of in werkelijkheid) meteen op de bovenste verdieping
van een hoge flat gaan staan. Hoewel flooding effectief is, wordt in de praktijk
meestal gekozen voor meer geleidelijke vormen van exposuretherapie.
Gedragstherapie blijft uiteraard niet beperkt tot het afleren van angsten met
behulp van blootstellingsprocedures. Er zijn tal van andere technieken
ontwikkeld voor het afleren van ongewenst gedrag en het aanleren van gewenst
gedrag.
Vaardigheidstrainingen bijvoorbeeld zijn vaak gebaseerd op leertheoretische
principes. De therapeut leert de cliënt via stapsgewijze oefeningen bepaalde
vaardigheden waar de cliënt niet of onvoldoende over beschikt (bijvoorbeeld
sociale vaardigheden). Gewenste gedragingen worden positief bekrachtigd. De
therapeut maakt daarbij vaak gebruik van rollenspellen en modeling. Bij modeling
of imitatieleren doet de therapeut de aan te leren vaardigheden eerst zelf voor,
waarna de cliënt deze imiteert.
Afhankelijk van de aard van de problemen die een cliënt naar voren brengt,
kiest de gedragstherapeut voor toepassing van bepaalde procedures. Bij een patiënt
met een dierfobie zal deze keuze anders uitvallen dan bij iemand met een
gokverslaving.
Hierna volgt een voorbeeld van een cliëntendagboek-formulier om gedachten vast
te leggen bij de therapeutische behandeling van een paniekaanval.
Bronnen: Inleiding tot de Gedragstherapie (Orlemans e.a., 1995), Klinische
Psychologie (H. van der Molen e.a., 1997), Cognitieve therapie: theorie en
praktijk (S.M. Bögels e.a., 1999).
(zie ook: http://www.burnin.nl/)