Soorten psychotherapie

Wat is psychotherapie? - vervolg
 
Tegenwoordig wordt de mens gezien als een biopsychosociale eenheid, waarbij het biologische (het lichaam) niet los te koppelen is van de geest (psyche) en de sociale omgeving. Psychotherapeutische behandeling van één van deze eenheden heeft gevolgen voor elke van de andere eenheden. Zo kan het voorschrijven van medicamenten (biologisch substraat) ertoe leiden dat een cliënt minder somber en in zichzelf gekeerd is, waardoor het zelfvertrouwen van de cliënt weer toeneemt (psychologisch substraat) en uiteindelijk werkhervatting volgt (sociaal substraat). Dit laatste verhoogt weer het gevoel van eigenwaarde (psychologisch substraat) enzovoort.

Dit voorgaande is voor de huidige psychotherapeutische behandeling van groot belang. Ook al mag een psychotherapeut in Nederland geen medicijnen voorschrijven, de realiteit is dat veel cliënten, die in psychotherapeutische behandeling komen reeds korte of langere tijd medicijnen gebruiken, die van invloed zijn op de psyche; we noemen dit de zogenaamde psychotrope medicijnen. Deze medicijnen zijn dan voorgeschreven door een huisarts of psychiater. Daarnaast worden psychotherapeuten in het contact met hun cliënt al snel geconfronteerd met de sociale situatie waarin de cliënt zich bevindt zowel privé als op zijn werk. Psychotherapie kan daarom nooit los worden gezien van deze biopsychosociale condities waarin de cliënt zich bevindt, voordat hij contact opneemt met een psychotherapeut.

De van ouds vooral schoolgerichte opsomming van psychotherapievormen voldoet steeds minder. Een opsomming van therapievormen heeft het gevaar dat historische en schoolgebonden criteria een belangrijkere rol gaan spelen dan waar het op de eerste plaats omgaat: namelijk mensen met psychische problemen zo goed mogelijk te helpen.

We kunnende de volgende psychotherapeutische behandelvormen onderscheiden:
1. Biologische therapieën
2. Gedragstherapie
3. Cognitieve therapie
4. Psychoanalytische psychotherapie
5. Cliëntgerichte psychotherapie
6. Systeemtherapie
7. Eclectische behandelingen
8. Crisisinterventie
 
1. Biologische therapieën

Psychotrope medicijnen
Het toepassen van medicijnen kan tegenwoordig een integraal onderdeel van een algehele psychotherapeutische of psychiatrische behandeling zijn. De medicijnen die door een arts worden voorgeschreven - zogenaamde psychofarmacologische interventies - gaan vaak gepaard met voorlichting over de ziekte en de behandelingsmethoden (psycho-educatie) naast ander vormen van ondersteunende psychotherapie (zoals interpersoonlijke psychotherapie).

Naarmate het geestelijk herstel vordert, kan de cliënt in aansluiting op de ondersteunende psychotherapie gebaat zijn bij andere vormen van psychotherapie zoals gedragstherapie, cognitieve therapie of Rogeriaanse therapie, enzovoorts. Ook kan het voorkomen dat cliënten tijdens een psychotherapieperiode, medicijnen nodig hebben. In dit geval wordt dan door de psychotherapeut overleg gepleegd met de behandelende huisarts of psychiater.
Sinds mensenheugenis bestaan er stoffen om psychisch lijden te verzachten. Zo zijn de psychologische veranderingen door alcohol, opium, cannabis en vele andere psychoactieve middelen al vele duizenden jaren bekend. We noemen stoffen psychotroop als zij tot doel hebben het denken en voelen, het willen en het handelen te beïnvloeden. Psychofarmaca zijn in de psychiatrische praktijk hiervan de belangrijkste categorie. Dit betreft een groep van zeer uiteenlopende chemische stoffen met verschillende klinische effecten. Het gemeenschappelijk kenmerk is dat ze bepaalde psychische functies beïnvloeden door fysiologische processen in de hersenen te veranderen.

Traditioneel kunnen we de psychofarmaca op basis van hun indicatiegebieden in zes categorieën indelen:
1. antipsychotica of neuroleptica
2. antidepressiva
3. antimaniaca
4. anxiolitica
5. hypnotica
6. stemmingsstabilisatoren

Deze verdeling is vooral gebaseerd op de historische ontwikkeling van de diverse stoffen. Men moet deze indeling niet al te absoluut hanteren. Een stof uit het ene indicatiegebied kan ook verlichting geven van de typische 'doel'-symptomen voor patiënten uit andere stoorniscategorieën.

Slaap en waaktherapie
De meeste bekende, in de jaren dertig veelvuldig gebruikte slaaptherapie was het insuline coma, waarbij patiënten herhaaldelijk met behulp van insuline-injecties in een zeer diepe vorm van bewusteloosheid werden gebracht. Deze therapie vond vooral toepassing bij patiënten met katatone en paranoïde schizofrenie. Sinds de jaren zestig, na de opkomst van de antipsychotica en antidepressiva, die effectiever bleken dan de slaaptherapieën, wordt deze vorm van behandeling niet meer toegepast.
Slaaponthoudingstherapie ofwel slaapdeprivatie vindt nog wel toepassing. Slaapdeprivatie is een niet-medicamenteuze behandelmogelijkheid bij met name depressieve stoornissen.

Lichttherapie
Lichttherapie is het toedienen van dagelijks enkele uren intens helder kunstlicht bij mensen met een winterdepressie. Winterdepressie kenmerk zich doordat in de herfst en de winter regelmatig depressieve gevoelens terugkeren die vervolgens in de lente en de zomer weer verdwijnen. Blootstelling aan intens helder kunstlicht verlengt als het ware de korte winterdagen kunstmatig.

Elektroconvulsieve therapie
Elektroconvulsie therapie (ECT) is een behandelmethode waarbij door middel van een tweetal op de schedel geplaatste elektroden gedurende korte tijd een elektrische energie door de hersenen wordt geleid. Deze energie is van zodanige sterkte dat hierop een toeval (epileptisch insult) volgt. Toegepast bij patiënten met ernstige stemmingsstoornissen. Vaak suïcidaal, psychotisch en met name wanen. Resultaten bij deze groep zijn goed te noemen (Noten,1986). ECT remt de elektrische activiteit van de hersenen en vertraagd de bloedcirculatie in de hersenen.
Twee vormen zijn te onderscheiden:
- directe vorm, ECT zonder narcose en spierverslappende middelen;
- indirecte vorm, ECT met narcose en spierverslappende middelen.
Toediening vindt tegenwoordig meestal alleen plaats op de rechter hersenhelft (unilaterale ECT genoemd).

Psychochirurgie
Voor het eerste werd door Burkhart in 1891 en Puusepp in 1910 bij patiënten met ernstig invaliderende hallucinaties respectievelijk bij manische depressieve patiënten psychochirurgische ingrepen gedaan. Daarna werd deze operaties ook gedaan door Moniz, en in 1942 door Freeman en Watts en werd lobotomie genoemd. Helaas echter met extreme bijwerkingen zoals ernstige apathie. De operatietechnieken zijn tegenwoordig zeer verfijnd. De grove, snijdende techniek van vroeger is vervangen door een nauwkeurige stereotactische techniek, waarbij de arts exact kan bepalen waar hij een laesie moet aanbrengen en hoe groot deze dient te zijn. De ongewenste neveneffecten van vroeger, zoals apathie en initiatiefverlies, kan men met deze moderne vorm van psychochirurgie zeer beperkt houden.

 

  • Bron: Klinische Psychologie: diagnostiek en therapie (Smeets e.a., 1999)

     
  •