Hoogbegaafd
Diagnose van de hoogbegaafdheid
De grote
variëteit van zgn. hoogbegaafden stelt rechtstreeks de vraag hoe men met
zekerheid hoogbegaafde kinderen kan onderscheiden van middelmatig begaafden
en wat men precies doen moet om ze tot hun recht te laten komen.
Men kan
slechts over begaafdheid spreken als men er zeker van is dat men zuiver de
natuurlijke gaven kan meten, voordat ze kans krijgen beïnvloed te worden
door de omgevende cultuur. Eigenlijk zou dit moeten gebeuren bij de
geboorte, niet jaren daarna. Een eerste voorwaarde namelijk tot latere
hoogbegaafdheid is een goede erfelijkheid, een gezonde en sterke
neurologische uitrusting, een goede gezondheid, een goed emotioneel contact
met verstandige ouders.
Daarna komen
vanaf de eerste levensjaren een rijk milieu, de mogelijkheid kennis te maken
met vele en gevarieerde prikkels, het toegesproken worden door een
liefhebbende moeder, en vanaf de eerste maanden het systematisch kennis
maken met schoolse materies, letters, cijfers, woorden. Daarbij is de
motorische ontwikkeling ook belangrijk.
Hoogbegaafden, zoals gezegd, lopen eerder, spreken eerder dan gemiddeld
begaafden. Indien ze door moeder of vader van dichtbij gevolgd worden en
gestimuleerd, zullen ze ook veel vroeger kunnen lezen en schrijven.
Wat er dan
volgt is soms een avontuur, of een halve ramp. Het ware eenvoudig alle
kinderen aan een IQ-meting te onderwerpen en dan te besluiten de besten
eruit te halen. Maar zo eenvoudig is het niet.
Als nu bleek
dat inderdaad voor de meeste gevallen het IQ een goede maat is voor de
intelligentie werd hier natuurlijk ook de vraag gesteld of het IQ wel alle,
en vooral de echte hoogbegaafden zou uitziften.
Waren er dan
toch geen andere factoren, die meetbaar waren, en die juister en beter de
grens zouden afbakenen tussen hoog en middelbaar begaafden? Daarenboven is
een hoog IQ bereiken nog geen waarborg later een genie te worden, hoogstens
een aanwijzing van een mogelijkheid later aan de universiteit fatsoenlijke
resultaten te kunnen halen. Alle mogelijkheden worden trouwens nooit
gerealiseerd. Die realisatie hangt af van vele andere factoren, waaronder de
opportuniteiten, het toeval, en bevorderende factoren zoals een goed milieu.
Op zoek naar bijkomende criteria werd het begrip hoogbegaafdheid uitgebreid
tot bijzondere begaafdheid. Daardoor werd er begripsverwarring gezaaid en
werden de besprekingen tot een conceptuele chaos. Voor de klaarheid houden
wij het dus bij een minimaal IQ van 135, daarbij onthoudend dat in gevallen
van verschillende socio-culturele of raciale achtergrond het gewone IQ moet
gecorrigeerd worden. Daarenboven moet men rekening houden met de storende
factoren die veelal optreden in de ontwikkeling van een hoogbegaafde.
Wanneer men namelijk bij een jongere tegelijk een hoog I.Q en tegelijk
andere storingen, zij het van sociale aard, zij het van schoolniveau, zij
het van prestaties opmerkt, dan kan men de hypothese opperen, dat het hier
gaat om een hoogbegaafde, die in een situatie belandde die voor hem geen
uitkomst biedt. De eerste maatregel die moet getroffen worden is een
degelijke IQ bepaling. Daarna moet een volledige diagnose volgen. De
meesten hebben nood aan sociale counseling. Zij moeten leren aanvaarden, dat
anderen ze niet direct begrijpen. Zij moeten zich leren aanpassen. De meeste
hoogbegaafden snakken naar begrip. Zij vinden dat des te moeilijker naarmate
zij uitzonderlijker zijn.
Wie te doen
krijgt met een Galois, die op 20jarige leeftijd grondlegger werd van de
moderne wiskunde, moet zelf een uitzonderlijk begaafd wiskundige zijn.
Natuurlijk
kunnen hoogbegaafden geleden hebben, en moeten zij psychotherapeutisch
opgevangen worden, indien dat inderdaad zo is. Anderzijds is het niet
uitgesloten, dat zij ook persoonlijkheidsafwijkingen vertonen, die voor
zichzelf moeten verzorgd worden.
Om al die
problemen in de mate van het mogelijke te voorkomen zoekt men de
hoogbegaafde te herkennen vanaf de geboorte. Vooraf kan men al zeggen, dat
er een kans is op hoogbegaafdheid als de ouders en zelfs de voorouders een
hoge graad van cultuur hebben bereikt. De eerstgeborene, de enige zoon of
dochter, zijn dikwijls bevoorrecht. Dat is niet verwonderlijk, als kinderen
van ouders in de volle fleur van de jaren, delen zij in de kracht en energie
die hun ouders ontplooien. Zij zijn ook het voorwerp van de liefderijkste
zorgen en de meeste aandacht. Van in de wieg merkt men in de twee eerste
maanden reeds een hoge opmerkzaamheid voor prikkels die uit de omgeving
komen. Met hun ogen volgen sommige kinderen al wat beweegt en verandert.
Deze eigenschap wordt normaal opgevolgd door een begin van spraak na twaalf
maanden en een meer ontwikkelde spraak na vierentwintig maanden. De reden is
wsch. een meer intens contact met volwassenen, waardoor de taal
gemakkelijker aangeleerd wordt.
Vroegtijdige
motorische ontwikkeling leidt na zeven maanden tot een actieve exploratie
van objecten. Na twaalf maanden vinden we dan een middel-tot-doel bewustzijn
in het gebruik van bepaalde hulpmiddelen. Deze ontwikkelt tot een spatiale
handigheid (oplossen van puzzels).
Deze
kinderen krijgen de mogelijkheden om te groeien, intellectueel zich te
ontplooien. Hun nieuwsgierigheid wordt voortdurend gestimuleerd door het
rijke culturele midden dat zij mogen ontdekken.
Bij
uitzonderlijke kinderen begint één van de ouders (meestal de vader) al zeer
vroeg met een systematische training, bij Mozart in de muziek, bij John
Stuart Mill met de kennis van het Grieks en de lectuur van de oude teksten.
Bij velen
ontdekt men dat de aanwezigheid of de afwezigheid van de vader een
doorslaggevende invloed heeft op de ontwikkeling van het kind. Een sterke
vaderfiguur bevordert gewoonlijk het interesse voor wetenschap en techniek,
de afwezigheid van de vader bevordert de ontwikkeling in het taalkundige
domein. Bij echtelijke problemen, zoals scheiding, ontwikkelt zich vooral de
literaire begaafdheid. Het is niet helemaal duidelijk of een korte en late
afwezigheid van vader plots een hoge mathematische vaardigheid doet
ontstaan, maar het is waarschijnlijk.
In de twee
eerste gevallen speelt de identificatie met de dominante ouder, in het
laatste neemt het kind de vaderrol over en ontwikkelt die.
In de
allereerste jaren tonen hoogbegaafde kinderen dus een snelle ontwikkeling,
ze lopen vroeger, ze praten vroeger dan anderen. Als ze in een cultureel
rijk milieu vertoeven, tonen ze een grote leergierigheid, stellen vragen,
assimileren gemakkelijk. Heel vroeg leren ze lezen en schrijven. Ze zijn
vroeg schoolrijp. In 't algemeen kan men zeggen, dat ze gedurende hun
kinderjaren telkens vooruit lopen op de normale ontwikkeling. Door het spel
van de geboortedatums, de een verjaart in Januari, de ander in December,
gebeurt het vaak dat een kind een jaar zelfs twee jaar vroeger op de school
kan komen dan een ander. Bij hoogbegaafde kinderen confirmeert zich die
voorsprong om zo te zeggen vanzelfsprekend. Zij blijven onopgemerkt in die
eerste jaren, die zij zonder moeite, maar met voorsprong voltooien. Zij
hoeven zich niet in te spannen en volgen gewoon. Dat blijft voor een deel in
de middelbare afdeling, waar minder begaafden beginnen af te vallen. En
tegen het einde zien we dat ze als het ware intellectueel beginnen te
ontwaken. De stof, die in de klas gezien wordt begint ze meer en meer te
interesseren, omdat die ze meer aanspreekt.
Die
ontwikkeling zet zich voort op de universiteit. Aangezien ze echter nog vrij
jong zijn en minder rijp, in die zin dat ze niet heel goed weten waar hun
toekomst ligt, hebben ze het wel moeilijk om een juiste en aangepaste
studierichting te kiezen. Ze kunnen immers alles aan, en zien de studie nog
niet zo bloedernstig als middelmatigen die weten dat ze niet veel keuze
hebben en later hun brood zullen moeten verdienen met wat ze nu leren. Echte
hoogbegaafden bloeien maar open in de doctoraatsjaren, waar ze eigen
initiatief krijgen en mogelijkerwijze meer vrijheid, meer de loop mogen
geven aan eigen interesse. Hun snelle ontwikkeling in de kinderjaren
contrasteert met hun trage ontwikkeling in de volwassenheid. Ze zijn als
planten die snel opschieten tot op een zekere hoogte, maar dan als bomen
vooral winnen in volume en diepe wortels. "Einsamkeit und Freiheit" was de
spreuk van de beroemde Berlijnse Universiteit uit de grote bloeitijd voor
1914. En die was precies op maat gesneden voor hoogbegaafden: ze kregen
onafhankelijkheid en vrijheid en ze konden vrijuit werken zonder
interferentie van middelmatigen. Niet alle universiteiten en alle
departementen op een universiteit hebben de wijsheid zulke sfeer te bieden
aan hoogbegaafden. Soms komen deze nog terecht bij niet-hoogbegaafde
meesters, indien we ze meesters mogen noemen, die autoritair verordenen wat
er moet gedaan en hoe er moet gewerkt worden.
Bij deze
meesters vinden we evenzeer de twee categorieën terug: de hoogbegaafden, die
hun vak door en door kennen en die graag hun kennis meedelen, steeds open
staan voor goede vragen, zich steeds interesseren als het gaat om hun
wetenschap, een open oog hebben voor talent en begaafdheid, en de anderen,
de schoolmeesters, die hun wijsheid debiteren zonder alles zelf te
begrijpen, nooit tijd hebben om vragen te beantwoorden, nooit geïnteresseerd
zijn in wetenschap, altijd bezig zijn met "zeer belangrijke" dingen zonder
tijd te hebben voor anderen..., degenen, die van het ene congres naar het
andere lopen en zelf niet bij machte zijn iets te ontdekken, kortom die het
profiel vertonen van de middelmatigheid. Zij zijn een werkelijk gevaar voor
de universiteit. Want hun invloed bederft de wetenschappelijke sfeer. Zij
zijn van nature vijanden van echte hoogbegaafdheid. Want daardoor voelen zij
zich bedreigd.
Denken we
eraan dat Erasmus, een zeer intelligent en groot geleerde, de meest markante
persoonlijkheid tijdens de Renaissance, meer dan Luther en Calvijn, nooit
professor werd benoemd aan de Universiteit van Leuven, terwijl Baius en
Jansenius, de stichters van het Jansenisme, dat als ketters werd
veroordeeld, dat wel waren.
Het is
fataal dat grotere geesten meer afwijken van de middelmatigheid, en derhalve
minder geapprecieerd worden door de meerderheid van hun collega's, en door
de machthebbers. Zij hebben soms een groot gevoel voor humor, en dat wordt
slecht ontvangen bij die machthebbers. Erasmus' Lof der Zotheid, een
persiflage van de toenmalige en zelfs huidige theologie, was zo scherp en
raak, dat zij liefst verder verzwegen werd en in de hoek geduwd. Zelfs
Luther was er niet goed van. Ignatius van Loyola die in het begin van zijn
loopbaan zoveel ontleende aan Erasmus en integreerde in zijn spiritualiteit,
was zeer voorzichtig tegenover Erasmus' verdere invloed, om niet te zeggen
vijandig. Erasmus' werken werden verwijderd en verboden.
Pascal, een
vroegrijp en geniaal mathematicus en filosoof, wist de Jezuïeten en hun
casuïstiek zo belachelijk te maken in zijn Lettres Provinciales, dat ze voor
aap stonden in heel Frankrijk (1656). Hij werd Jansenist, en de Jezuïeten
lukten erin het Jansenisme te doen veroordelen en het centrum ervan,
Port-Royal, te doen afbreken.
Ook de
Jezuïet von Spee werd het slachtoffer van zijn verstand: hij ontmaskerde de
schandalige onrechtvaardigheid van de heksenprocessen en werd zwaar onder
druk gezet om de Sociëteit van Jezus te verlaten.
Zoals
Pascal, stierf hij vroegtijdig (1635).
Hoogbegaafden onthullen onverbiddelijk de inconsequenties, de deficiënties,
de gebrekkige logica, de onjuiste appreciaties, de onvolkomen weergave van
feiten en argumenten in het betoog. En daar kunnen middelmatigen niet tegen.
Ze voelen de grond onder hun voeten wegzinken. Hun schijnzekerheid, door de
consensus die ze zo gemakkelijk verwerven bij gelijksoortigen, smelt als
sneeuw voor de zon, en dat ondergraaft hun zelfgevoel. Ze horen het in
Keulen donderen als een hoogbegaafde plots hun zo lang geloofde en voor
stevig aangeziene overtuigingen in twijfel trekt en ze met de grond gelijk
maakt. Ze ervaren het als een aanslag op hun eigen eerbiedwaardigheid en
persoonlijke integriteit. Hun reactie van ongeloof en verontwaardiging slaat
soms over in een regelrechte wraakneming. Ketters horen immers op de
brandstapel.
Het is
typisch voor een hoogbegaafde, dat hij zijn grenzen kent. Dat hij veel
voorzichtiger, bescheidener is dan de middelmatigen, die veel minder bewust
zijn van de complexiteit der dingen. Dat hij minder nood heeft om zijn
zelfzekerheid op te bouwen op wankele fundamenten en uiterlijke bevestiging.
Hij vindt meer zekerheid in zichzelf en meer rust. Die moeten hem stalen om
op te tornen tegen de hem omringende goedkope pretentie, tegen de
alomtegenwoordige opschepperij, tegen de onbenulligheid van gezagsdragers.
Eenmaal dat hij daarvan bewust is, is zijn innerlijke rust gewaarborgd. Hij
is ingetreden in het Elyseum der goden.
Gewoonlijk,
en dat is jammer, is er een hele geschiedenis voorafgegaan van tegenkanting,
onbegrip, tegenwerking. Vele hoogbegaafden werden gewoonweg verhinderd zich
te ontplooien, te realiseren wat zij konden, hun bijdrage te leveren tot
maatschappij en wetenschap. Ze werden met misprijzen overladen, vervolgd
soms, vertrapt en gekritiseerd door oppervlakkige geesten, zoals
journalisten, recensenten en zelfs collega's. Weinigen hebben hier in de
gaten welke machtsstrijd daar aan de gang is. De gevestigde "autoriteiten"
verdedigen hun positie met alle middelen. Laster, kwaadsprekerij, intriges
horen bij de aanvaarde methodes. Niets is hun te laag, niets te gemeen, als
ze maar de gevreesde hoogbegaafde klein krijgen.
En de
reactie van de massa is steeds dezelfde: een kop die erboven uit steekt,
moet eraf. Iets boven de anderen mag, dat worden de leiders, daar kan men
tegen opzien, maar niet te veel, dat is gevaarlijk. Leiders moeten binnen
het aanvaarde gezichtsveld van de massa blijven. Doen zij dat niet, dan
verliezen ze hun invloed, en worden geëlimineerd. Volgens
het gevleugelde woord van een politicus: "Que voulez-vous, je suis leur
chef, il faut que je les suive". De politici noemen dat nu: het
contact met de basis en de burger... Telkens als er grote verwarring heerst
in het beleid, wordt die veroorzaakt door een verwarde probleemstelling te
wijten aan minderbegaafdheid. Allerlei vragen stelt men die onoplosbaar zijn
op dat niveau.
Als het
steeds duidelijker werd, dat intelligentietests, zelfs aangevuld door
creativiteit
tests, nog
geen voldoende uitsluitsel konden geven inzake echte hoogbegaafdheid, let
wel, die later uitmondt in belangrijke prestaties op wetenschappelijk en
menselijk vlak, bleek het nodig nog andere criteria te vinden.
Naast de
intelligentietests, die vooral vanaf acht jaar stabiele uitslagen
voortbrengen, heeft men dus recentelijk een hele reeks criteria uitgedacht
om met des te meer zekerheid de werkelijk hoogbegaafden uit te ziften.
Voor
kinderen vanaf tien jaar hebben we een evaluatiecontrolelijst van Hildreth
die toelaat een nauwkeuriger oordeel te vormen over een kind.
Mentale kenmerken, intellectuele kwaliteiten.
1. Het kind
wordt beschouwd als oud voor zijn leeftijd, door familie en vrienden als
begaafd beschouwd.
2. Houdt van
de uitdaging van intellectuele taken, blinkt uit in het volvoeren van
moeilijke denktaken; vertoont een vermogen tot georganiseerd denken,
redeneren en oordeel boven zijn leeftijd.
3. Vertoont
intellectuele nieuwsgierigheid, verlangen naar kennis, heeft een houding van
vraagstelling wat betreft bronnen en oorzaken, zoekt redenen en
verklaringen.
4. Heeft een
scherp observatievermogen, een uitmuntend geheugen voor punten en
onderwerpen die hem interesseren.
5. Bezit een
brede basis van algemene kennis en informatie.
6. Is
inventief, creatief; vertoont verbeelding, originaliteit bij het uitwerken
van plannen en projecten.
7. Vertoont
rijpheid in het begrijpen en het uitvoeren van richtlijnen.
8. Verkiest
spelen die geconcentreerd denken vereisen, met inbegrip van regels en
systeem, introduceert meer complexiteit in de spelen.
Verbale bekwaamheid.
9. Vertoont
een maturiteit boven zijn leeftijdsgenoten bij het gebruik van orale taal,
vloeiend bij het spreken (fluency), bij het voorbrengen van orale
rapporten.
10. Heeft
een effectieve woordenkeuze bij het spreken, beschikt over een woordenschat
die typisch is voor oudere kinderen en volwassenen; houdt ervan lange
woorden te gebruiken.
11. Vertoont
maturiteit en gemakkelijkheid in het vatten van betekenissen bij orale
communicatie.
12. Vertoont
maturiteit in de geschreven expressie; fluency, nauwkeurigheid,
originaliteit bij het proneren van ideeën, een efficiënt gebruik van de
taal.
13. Vertoont
talent bij het samenstellen van originele verhalen, essays, gedichten,
spelen, materialen voor schoolactiviteiten.
14. Spreekt,
leest, en schrijft een tweede taal met merkelijke vloeiendheid.
Schoolse vaardigheden en resultaten.
15. Leert
gemakkelijk en vlug op school, heeft minder nood aan uitleg en herhaling
dan zijn leeftijdsgenoten.
16. Maakt
snellere voortgang op de school dan zijn leeftijdsgenoten; werd geplaatst in
een sectie die sneller vooruitgaat, of in klassen voor betere studenten.
17. Houdt
van leren, wordt beschouwd als een kind dat ijverig is voor de studie, is
bekwaam tot onafhankelijke studie; heeft schoolse onderscheidingen bekomen.
18. Is
vooruit bij het onafhankelijk gebruik van de bibliotheek; heeft een brede
vertrouwdheid met de boekenvoorraad.
19. Heeft
een leesvaardigheid die ver reikt boven zijn leeftijd; houdt van het lezen
van boeken geschikt voor oudere kinderen en volwassenen; gebruikt gevorderd
referentiemateriaal, geschikt voor volwassenen.
20. Gaat met
mathematische denkprocessen gemakkelijk om; lange delingen, breuken,
decimalen, percentages, maten, algebra, geometrie, volgens de geboden
opportuniteit tot leren, gebruikt rekenmachines, mathematische tabellen,
enz.; behandelt geschreven vraagstukken in mathesis met snel begrip, toont
vindingrijkheid bij het oplossen van mathematische vraagstukken.
21. Heeft
een brede basis van informatie in de wetenschappen; begrijpt de processen
van het wetenschappelijk denken; gebruikt wetenschappelijke werktuigen -
vergrootglas, telescoop, magneten, dissectie werktuigen - met een handigheid
boven zijn leeftijd.
22. Heeft
een brede basis van informatie in de sociale wetenschappen: geschiedenis,
aardrijkskunde, maatschappijleer; begrijpt de beginselen van sociale
wetenschap; leest boven zijn leeftijd in deze domeinen. Gebruikt
landkaarten, wereldbol, atlassen; werkt met kaarten, grafisch materiaal en
tabellen.
23. Is
geïnteresseerd in lopende gebeurtenissen en politieke situaties, regering en
wereldzaken; denkt kritisch over de gebeurtenissen van elke dag; heeft een
reflectieve houding tegenover ideeën van sociale en filosofische aard.
Bijzondere interesses, vaardigheden,
talenten.
24. Vertoont
veelzijdige interesses en vaardigheden; is versatiel.
25. Besteedt
een belangrijk deel van zijn vrije tijd alleen aan zijn hobby’s en
zelfgekozen projecten.
26. Vertoont
initiatief, enthousiasme, originaliteit, volharding, volgehouden aandacht
bij het werken aan favoriete projecten; sterke gedrevenheid om het doel te
bereiken; goede planning en uitvoering van zelfgeplande projecten; heeft
erkenning en prijzen gewonnen voor zijn hobbyinteresses
27. Vertoont
een opmerkelijke interesse voor wetenschappelijke onderwerpen; houdt van
discussies omtrent wetenschap, mathesis, astronomie, enz.; vertoont een
voorkeur voor deze onderwerpen bij de lectuur; heeft een opmerkelijke basis
van informatie omtrent één of meer van deze onderwerpen.
28. Is
geïnteresseerd voor het werken met mechanische werktuigen en apparaten;
vertoont mechanisch vernuft en vindingrijkheid in mechanische constructie;
houdt van discussies en lectuur omtrent mechanische tuigen en ontdekkingen;
heeft een opmerkelijke basis van informatie over deze domeinen.
29. Vertoont
een speciaal talent voor muziek; is goed gevorderd in de muziekstudies heeft
recitals gegeven, heeft speciale erkenning gewonnen voor uitzonderlijke
performantie, prijzen, beurzen, enz.; heeft een uitgebreide basis van
informatie omtrent muziek.
30. Heeft
speciaal talent in de grafische kunst; schilderen, tekenen, beeldhouwen,
handwerk; zijn werk werd tentoongesteld, erkend door prijzen, beurzen, enz.;
heeft een uitgebreide basis van informatie in dit domein.
31. Heeft
speciaal talent in expressieve en opvoerende kunsten; theater, dans; heeft
recitals gegeven, erkenning ontvangen, prijzen, beurzen, enz. heeft een
opmerkelijke basis van informatie op dit domein.
32. Heeft
ongewone prestaties geleverd in atletiek, sport, spelen, fysische
prijskampen; heeft erkenning gewonnen, medailles, prijzen, enz.
33. Werkt
naar hoge standaarden van vakkunde, heeft een hoge graad van autokritiek, is
niet gemakkelijk tevreden met zijn eigen prestaties, streeft naar
nauwkeurigheid en precisie.
34. Leest en
gebruikt boeken; het is zijn favoriete bezigheid.
35. Houdt er
van feiten op te zoeken, elementen van informatie uit te zoeken, daarbij
gebruik makend van bekende bronnen van informatie als woordenboek,
encyclopedie, almanak, enz.; doet mee met wedstrijden die een brede basis
van informatie vereisen.
36. Maakt
verzamelingen van een systematisch, ordelijk type, die een speciaal
interesse weerspiegelen.
37. Houdt
een dagboek; schrijft systematische en periodieke notities betreffende zijn
studies en interessegebieden.
38. Heeft
zijn intentie laten blijken een beroep van hoog niveau te kiezen dat
academische vorming vereist of professionele opleiding na de hogeschool.
Persoonlijke en sociale kenmerken,
karakterkwaliteiten.
39. Geeft de
voorkeur aan gezelschap van oudere kinderen, of aan omgang met volwassenen.
40. Is
sociaal aanpasbaar; bereid om met anderen om te gaan in persoonlijke
relaties.
41. Schijnt
op een vanzelfsprekende wijze het leiderschap op zich te nemen; wordt
gekozen door zijn maten als leider van klasactiviteiten, school- en
clubzaken; wordt aangezien als een autoriteit door andere kinderen; wordt
gevraagd om de organisatie van activiteiten op zich te nemen of het bestuur
waar te nemen; zijn beslissingen worden geëerbiedigd.
42. Wordt
aangezien als "anders" of als een "brein" door andere kinderen; drukt zijn
ongeduld uit tegenover anderen die trager zijn dan hijzelf; vertoont een
agressieve en dominerende houding tegenover zijn klasgenoten.
43. Vertoont
een opstandige houding wanneer de situatie geen uitdaging bevat of als men
dingen van hem eist die hem onredelijk schijnen.
44. Verhoudt
zich op een rijpe wijze tot het gezag, eerbiedigt en observeert regels en
reglementeringen.
45. Vertoont
bekommernis om het welzijn van anderen; bezonnen, onzelfzuchtig; toont een
verlangen dienst te betonen, geïnteresseerd in programma's van sociaal
dienstbetoon.
46. Heeft
een rijpe ethische zin; begrijpt en geeft het voorbeeld van
rechtvaardigheid en fair-play in zijn gedrag; verdraagt geen
onrechtvaardigheid.
47. Is
betrouwbaar, heeft een hoog verantwoordelijkheidsgevoel.
48. Is
bescheiden bij het beoordelen van zijn vaardigheden en zijn talenten; heeft
eerbied voor de verwezenlijkingen van anderen; negeert dat hij meer talent
heeft dan anderen.
49.
Waardeert humor die intellectueel gekruid is; vertoont slimheid in het
opzetten van grappen.
50. Heeft
een rijpe fysische ontwikkeling voor zijn leeftijd; goed fysisch
uithoudingsvermogen, volharding, kracht, soepelheid, motorische coördinatie.
Achtergrond en vroege ontwikkeling.
51. Was
bekend als een vroegrijp kind nog voor de schoolleeftijd; vertoonde een
versnelde mentale ontwikkeling op een vroege leeftijd.
52. Was
vroeg in het gebruik van taal op de leeftijd van twee of drie jaar; gebruikt
zinnen, originele uitdrukkingen, uitgevonden woorden.
53.
Vertoonde een manipulatieve vaardigheid boven zijn leeftijd nog voor
schoolleeftijd; toont dit door handwerk, bouwen, gebruik van werktuigen en
mechanisch speelgoed, snijwerk, plakwerk, naaien, weven, boetseren met klei.
54.
Vertoonde vroegtijdig duidelijk artistiek of muzikaal talent.
55.
Vertoonde vroegtijdige belangstelling voor prentenboeken en voor het luidop
lezen; behoudend geheugen voor karakters, verhalen, rijmen, enz.; leerde
informeel lezen thuis voor het naar school gaan.
56. Leerde
gemakkelijk op school lezen, behaalde een niveau van functionele vaardigheid
(vierde tot vijfde leerjaar) dat duidelijk boven de typische leeftijd staat
van negen tot tien jaar.
57. Leerde
zijn naam schrijven, getallen, eenvoudige woorden voor de schoolleeftijd;
vroegtijdige kennis van het alfabet.
58.
Vertoonde een vroegtijdige interesse in getallen, tellen en berekeningen;
gevorderd in rekenkunde, kennis van geld, zegels; interesse en kennis boven
zijn leeftijd in tijd, afstanden, uurwerken, kalenders, enz.
59. Was
gevorderd in kennis van gewone voorwerpen, hun namen en gebruik, hun
werking.
60. Was voor
op zijn leeftijdsgenoten in geschreven uitdrukking op de leeftijd van negen
jaar; toonde interesse in het opstellen van verhalen, schrijven van brieven.
61. Toonde
een vroeg interesse in tafelspelen die volgens regels verliepen, systeem,
het bijhouden van de punten.
62. Hield
van eenzaam spel dat hijzelf uitgevonden had in vroege kindsheid; hield
ervan ingebeelde kameraden uit te denken of een hele verbeelde wereld.
63. Begon
het eerste leerjaar voor de leeftijd van vijf jaar negen maanden; tweede
leerjaar voor zeven jaar; maakte snelle vorderingen na zijn intrede in het
eerste leerjaar; sloeg èèn of meer termijnen over in de lagere school.
64. Komt van
een tehuis van relatief hoog geletterd niveau en uit een intellectueel
stimulerende omgeving.
65. De
ouders moedigen de interesses en de activiteiten van hun kind aan, zonder
dwang of overstimulatie; de ouders moedigen vrijheid van uitdrukking aan,
onafhankelijkheid, zelf-verant
woordelijkheid.
Onder deze
controlelijst schuilt een hele filosofie en een vrij aparte opvatting van
hoogbegaafdheid. Die wordt duidelijk in de laatste vragen: is het kind
afkomstig van een hoogculturele familie, want dan alleen is het mogelijk dat
het al die kenmerken of een groot deel ervan realiseert. Een opmerkelijk
tekort aan deze lijst is het ontbreken van precieze gegevens: wat betekent
vroegtijdig in al die verschillende vragen? Een open vraag blijft: in welke
mate moet een kind positief beoordeeld worden? Is het voldoende op een
drietal vragen positief te zijn, of hoeveel moet er meer. Een bedekte
tendens is er ook om de populariteit van een kind hoog aan te slaan: gekozen
worden door anderen. Welnu dat is juist een teken dat we te doen hebben met
misschien een begaafde of een meerbegaafde, maar niet met een hoogbegaafde.
Zulke lijsten zijn dus enigszins misleidend.