Uitgebreide begrippenlijst
- A -
aangeleerde hulpeloosheid (learned helplessness)
Een toestand waarin men als gevolg van vergeefse pogingen in het verleden om
greep te krijgen op een situatie, er in een nieuwe, gemakkelijk te beïnvloeden
situatie niet meer toe komt, deze toestand daadwerkelijk ook onder controle te
krijgen. De psycholoog M.E.P. Seligman deed uitgebreid onderzoek naar dit
fenomeen. Volgens Seligman wordt deze houding aangeleerd tijdens de
blootstelling aan aversieve en onbeheersbare gebeurtenissen in een situatie
waaruit men geen uitweg kan vinden. Hij deed onder andere proeven met honden,
waarbij hij de vloer van de hondenkooi onder stroom zette. Bepaalde honden
bleken in staat om ver een hek te springen en de dans letterlijk en figuurlijk
te ontspringen. Echter andere honden ondergingen de pijn 'passief' omdat zij
niet konden vluchten. Toen ook deze honden de mogelijkheid kregen om te kunnen
vluchten deden zij dit niet, omdat ze kennelijk geleerd hadden hulpeloos te
zijn. Bij de mens zien we aangeleerde hulpeloosheid onder andere bij
psychiatrische stoornissen. Waarschijnlijk speelt aangeleerde hulpeloosheid ook
een rol in het leren van normaal juist wel beheersbare situaties.
ABC-model (~)
Een cognitief therapiemodel uit de Rationeel-Emotieve Therapie (RET). Het model
is omstreeks 1955 ontwikkeld door de Amerikaanse psycholoog Albert Ellis (zie
foto). Het model gaat er vanuit dat mensen hun omgeving ervaren in de volgorde
van een Activerende gebeurtenis (A), de Betekenisgeving (B) van deze gebeurtenis
en de Consequentie (C) die deze gebeurtenis heeft. Neurotische personen ervaren
de consequentie (C) vaak zichtbaar met frustraties en emoties. De activerende
gebeurtenis (A) lijkt de veroorzaker, terwijl de betekenisgeving (B) de
fundamentele verbinding is naar C - en samenhangt met o.a. vooronderstellingen,
disfunctionele en automatische gedachten, die een patiënt als fundamentele
schema's in zijn leven heeft eigen gemaakt - en de problemen bij C in
belangrijke mate veroorzaken en door B in stand worden gehouden. Het is de taak
van de RET- of cognitief therapeut de betekenisgeving (B) in kaart te brengen,
door te werken met de patiënt zodat de verbinding B, tussen A en C, zijn kracht
verliest waardoor de patiënt minder frustraties en emoties ervaart en zich
psychisch gezonder gaat gedragen.
accommodatie (accommodation)
Vorm van aanpassing door een levend organisme als reactie op een externe
stimuli. Deze aanpassing kan bij mensen van organische of psychische aard zijn
en is van groot belang om zich in de steeds veranderlijke omgeving te handhaven.
Hier enkele voorbeelden:
1. Volgens Jean Piaget (1971) is accommodatie het aanpassen van het cognitief
schema zodat het strookt met de nieuwe informatie, als een bestaand schema
geconfronteerd wordt met informatie die niet overeenkomt met de reeds aanwezige
kennis in het schema. Als de nieuwe informatie wordt vervormd, zodat ze alsnog
in het bestaande schema past wordt dit door Piaget 'assimilatie' genoemd.
2. Bij elk regelmechanisme met terugkoppeling (feedback) in de natuur of
techniek is sprake van aanpassen op de externe omstandigheden. Regelen en
aanpassen (of accommoderen) zijn hierbij onverbrekelijk met elkaar verbonden.
3. Om goed te kunnen zien en het oog aan te passen op lichtprojectiescherpte en
de hoeveelheid beschikbaar licht kan het oog bijvoorbeeld accommoderen door
lenscorrectie en pupilgrootteverandering.
4. In organisatie en in groepen zullen mensen zich in meer of mindere mate
moeten aanpassen aan het gedrag van anderen. Ook deze aanpassing is een vorm van
accommodatie.
adaptatie (adaptation)
Letterlijk: aanpassing. Het woord kent verschillende betekenissen.
1. Van adaptatie is bijvoorbeeld sprake indien het feitelijk uitgeoefend beroep
niet overeenkomt met het eerdere, maar wel met de uiteindelijke beroepswens.
2. Als belangrijk begrip in de cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget.
Adaptatie bestond volgens hem uit de begrippen assimilatie
en accommodatie.
3. Als een zintuigcel bij voortduring blootstaat aan sterke stimulatie (naar
intensiteit en frequentie) neemt de reactiesnelheid van de cellen af. Na weer
verlaging van stimulatie, vindt door de zintuigcel juist overreactie plaats,
door verandering van de gevoeligheidsdrempel.
4. Bij de evolutie van de mens wordt adaptatie ook gebruikt voor de verandering
van erfelijke eigenschappen, die ontstaat onder druk van de eisen van de mens
met zijn levensomgeving.
5. Over biologische adaptatie spreekt men als het menselijk lichaam zich aanpast
aan direct merkbare milieu-invloeden, zoals bijvoorbeeld bij een lager
zuurstofgehalte en het verhogen van het aantal rode bloedcellen in het lichaam,
als iemand zich op grote hoogte bevindt.
affect bridging (~)
Term uit de psychotherapie. Hiermee wordt bedoeld dat bij een patiënt de meest
nare momenten uit de herinnering (zoals naar aanleiding van een trauma) wordt
gezocht om als 'target' te dienen voor de therapie, maar dat er ongewild andere
affectief met het target verbonden herinneringen worden geactiveerd.
afleren (disteaching)
We spreken over afleren als dat wat eerder geleerd is of in aanleg bestaat,
wordt tegengegaan of geneutraliseerd. Het kan daarbij gaan om alle vormen van
leren maar vaak gaat het om geleerd gedrag. Als het af te leren gedrag voortkomt
uit klassiek of operant conditioneren dan is deconditioneren door bijvoorbeeld
gedragstherapie vaak noodzakelijk zijn. Dit blijkt in de praktijk, vooral als er
veel contra-indicaties zijn zoals bij lang aan drugs en alcohol verslaafden, het
afleren van het verslavingsgedrag een zeer moeilijke opgave.
angst (anxiety)
Angst ervaren we als een anticiperend gevoel van onbehagen of als schrikangst
welke aanhoudt ook als er geen directe dreiging is. Normale angst is nuttig en
noodzakelijk, zonder angst kan men niet goed functioneren. Angst stelt een mens
in staat snel te reageren op een mogelijk bedreigende situatie. Angst heeft een
noodzakelijk fysiologische actie-reactie overlevingsfunctie
In tegenstelling tot vrees, wat men kan zien als een realistische reactie op
echt gevaar, staat angst in het algemeen voor een onbewuste dreiging.
Fysiologisch symptomen bij angst zijn verhoogde hartslag en bloeddruk, versnelde
ademhaling, transpiratie, verhoogde spierspanning, droge mond en diarree. Freud
stelde dat angst voorkomt uit onderdrukte, vastzittende seksuele energie en kwam
later met het inzicht dat angst als gevaarsignaal dient om het ego te
waarschuwen voor te grote stimulatie waardoor verdrongen gevoelens ontstaan.
Angststoornissen bestaan als voor een ieder, als zichtbare angst maar ook als
fobieën en andere vormen waar een afweermechanisme in stelling is gebracht om
als dekmantel te dienen voor de lijder naar anderen toe. Bij algemene angst
geven de individuele ervaringen en lange periodes met angst geen verklaring voor
een oorzaak, zo'n voorwaarde kan free-floating genoemd worden omdat de angst
niet aan een bepaalde stimulus gekoppeld is. Paniekstoornissen zijn plotseling
optredende angstaanvallen met symptomen als hartkloppingen, ademnood, zweten,
enzovoort. De persoon met een fobische stoornis kan aangeven waarvoor hij angst
heeft zoals kleine ruimten, hoogten en grote drukte met mensen, en leidt tot
intense 'overdreven' angstgevoelens en worden daarom zoveel mogelijk door de
fobische persoon ontweken. Obsessief-compulsieve stroornissen worden
gekarakteriseerd door dwanghandelingen die het doen en laten van de persoon in
extreme mate bepalen. Extreme angst ontstaat als de persoon de dwanghandeling
niet uitvoert en dwanggedachte ontkent. Een posttraumatische stressstoornis (PTSS)
ontstaat als een persoon na aanleiding van een zeer traumatische ervaring zoals
een overval, verkrachting, enzovoorts, steeds terugkerende dromen, flashbacks of
paniekaanvallen krijgt.
angstreactie (anxiety response)
Kentekenen en gevoelens van sterke vrees zonder bewuste oorzaak.
applied relaxation (~)
Hierbij leert de patiënt om de eerste signalen van angst te herkennen en om er
vervolgens mee om te gaan in plaats van zich door de angst te laten overweldigen
(L.G. Öst,1986).
applied tension (~)
Ook ' toegepaste aanspanning'. Hierbij leert de patiënt eerst kleine signalen
van bloeddrukverlaging te herkennen en vervolgens hierop te reageren door de
spieren aan te spannen, teneinde de bloeddruk te verhogen. Therapie die onder
andere bij behandeling van een bloedfobie wordt toegepast (L.G. Öst & U. Sterner,1987).
approach-avoidance conflict (~)
Als het drukken op het pedaaltje voor een proefdier in een Skinnerbox de ene
keer voedsel oplevert en de andere keer een stroomstoot, ontstaat een aarzeling
tussen toenadering en vermijding. Het proefdier zal enerzijds geneigd zijn op
het pedaaltje te drukken (het voedsel is aangenaam) en anderzijds uit de buurt
van het pedaaltje willen blijven (de stroomstoot is onaangenaam). Vele auteurs
beschouwen dergelijk conflictueuze toestanden als de bron voor de ontwikkeling
van pathologisch gedrag.
assimilatie (assimilation)
1. Volgens Jean Piaget en de cognitieve psychologie wordt hieronder verstaan:
nieuwe informatie vervormen, zodat het alsnog past in het bestaande cognitief
schema.
2. Het volledig opgaan in een ander sociaal milieu, groep of volk.
3. Omzetten van grondstoffen tot verbindingen met een hogere energie-inhoud, die
een bestandsdeel uitmaken van of een functie vervullen in het levend organisme
(anabolisme).
assimilatie-contrasttheorie (assimilation contrast theory)
Combinatie van de cognitieve dissonantietheorie en de contrasttheorie wordt de
assimilatie-contrasttheorie genoemd (D.V. Day & T. Landon, 1977). Deze theorie
voorspelt dat in het geval van gemiddelde niveaus van discrepantie het verschil
van perceptie met verwachtingen (volgens de cognitieve dissonantietheorie) zal
worden geassimileerd en bij hoge niveaus van discrepantie het waargenomen
verschil (volgens de contrasttheorie) zal worden vergroot.
associatie (association)
Associatie
is een belangrijk principe in de psychologie. Van oorsprong hield associatie
nauw verband met herinneren of het geheugen. Het principe houdt in dat als men
zich een gebeurtenis of ervaring uit het verleden herinnerd er verband gelegd
wordt met andere soortgelijke gebeurtenissen en ervaringen. Door de tijd heen
werd associatie steeds meer een algemeen begrip voor alle mentale ervaringen
naast de duidelijk zintuiglijke waarnemingen, en het associationisme werd een
theoretisch begrip dat de hele psychologie omvatte. Ofschoon de Griekse filosoof
Aristoteles drie vormen van associaties had voorgesteld zoals gelijkheid,
contrast, aansluiting en hiermee zorgde voor een veel te brede betekenis en
tegenstelling, wordt het associationisme voornamelijk als een Britse
aangelegenheid gezien, zoals het eerste geschrift uit 1690, "Association of
ideas" van John Locke (zie foto). David Hume beweerde in "A Treatise of Human
Nature" (1739) dat de belangrijkste vormen van associatie zijn:
overeenkomstigheid, de opvolging van tijd op plaats, door oorzaak en gevolg. Na
Hume was de belangrijkste exponent van het associationisme David Hartley en in
de achttiende eeuw waren dit John Stuart Mill, Alexander Bain, en in de
negentiende eeuw Herbert Spencer. Er was veel kritiek en onenigheid over zowel
het aantal als de naamgeving van de diverse vormen van associaties. Over het
algemeen kan men stellen dat de associationisten ideeën hadden die uitgingen van
zintuigervaringen, en verder duidelijk mechanistisch en atomistisch van opzet.
Kennis ontstond volgens hen door één of meer zintuiglijke ervaringen. Door het
herhalen van mentale ervaringen in de tijd, werd de zintuiglijke informatie met
elkaar verbonden en her beleefd of opgeroepen als zinvolle voorstellingen en
concepten. Alle menselijke kennis is opgebouwd uit gescheiden, eenvoudige en
speciale ervaringen en is te analyseren zonder dat men deze ervaringen nog
langer ondergaat. In 1880 begon F.H. Bradley, de psycholoog James Ward en G.F.
Stout, in Engeland een sterke oppositie tegen het associationisme. Zij ontkenden
dat kennis alleen ontstond door de zintuigen en stelde dat de doelgerichtheid
een integraal onderdeel is van alle mentale activiteiten. William James een
vooraanstaand Amerikaans psycholoog, beschreef in zijn werk "The Principles of
Psychology" uit 1890, en verving de 'associaties van ideeën' door 'associaties
van processen van de centrale zenuwcellen' door met elkaar samenvallende of
onmiddellijke op elkaar volgende stimuli. In 1903 gebruikte de Russische
fysioloog Ivan Pavlov zuivere objectieve methoden, bij wat toen associaties werd
genoemd, en kwam tot een volledige en uitgebreide beoordeling van gedrag bij
geconditioneerde en ongeconditioneerde reflexen. De conditionerings- of
reflextheorie en vele andere gedragstheorieën die ontstonden werd een
associatiepsychologie van het gedrag, waarin min of meer hetzelfde werd
verondersteld als de eerdere associationisten en ook dit stond bloot aan een
soortgelijke kritiek. Zo gold dit ook voor de in Amerika dominante
stimulus-respons psychologie die zich ontwikkelde in verschillende vormen.
Naarmate onderzoekers die een vast geloof hadden in associatie als een
verklaringsmodel en meer en meer onderzoek deden ontstonden ook steeds meer
problemen. De Amerikaanse psycholoog Edward L. Thorndike bijvoorbeeld toonde aan
dat meer herhalingen door oefening weinig of niets doet om de verbinding tussen
de stimulus en respons sterker te maken. Hij besefte het grote belang van de
invloed van oefening en zag deze invloed voornamelijk in termen van lust en
onlust, zoals beschreven in zijn werk: "The Fundamental of Learning"(1932).
Andere onderzoekers onderstreepten het belang van de directe invloed van
resultaatkennis, en weer anderen zoals de Amerikaan Clark Hull beschreef in "Principle
of Behavior" (1943) een complete leertheorie op basis van behoeftereductie, of
de behoeftesterkte waardoor de stimulus en respons onder verschillende
empirische condities met elkaar werden verbonden. Voor een ieder van deze
psychologen gold dat ze niet het associatieprincipe verworpen hadden maar meer
streefden naar een radicale herformulering van het associatieprincipe. Anderen,
zoals onder andere de Gestaltpsychologen, vroegen om het associatieprincipe te
verwerpen als het gaat om hogere mentale processen bij de mens.
Associationistische theorieën hebben zoals alle, algemeen verklarende
psychologische theorieën, veel kritiek te verduren gekregen, sommige waren zeer
terecht maar soms ook onterecht. De meeste psychologen zijn het er ook
tegenwoordig over eens dat het begrip associatie een belangrijke en effectief
principe is, werkzaam bij alle leermomenten door het steeds weer hebben van
nieuwe ervaringen.
attributie (attribution)
Letterlijk: toeschrijving. De toegekende, onderliggende oorzaken van het eigen
gedrag of dat van anderen. Bijvoorbeeld: wanneer iemand zijn trouwdag vergeet,
kan dat toegeschreven worden aan een gebrek aan liefde of aan verstrooidheid.
Deze uiteenlopende attributies zorgen voor totaal verschillende reacties op in
principe hetzelfde gedrag.
autogene training (autogenous training)
De grondlegger van autogene training is de Berlijnse neuropsycholoog J.H.
Schultz (1884 - 1970), die tussen 1908 en 1912 de methode ontwikkelde tot zijn
huidige vorm. In 1932 trad hij er mee naar buiten. Autogene training is een
therapeutische ontspanningsmethode. De bedoeling is dat men zich door nauwkeurig
omschreven oefeningen innerlijk steeds vrijer maakt en dieper in zichzelf
afdaalt. Zodoende bereikt men dat het hele organisme van binnen uit wordt
omgeschakeld. Dat maakt het mogelijk gezonde activiteiten te versterken en
ongezonde te verminderen of helemaal te stoppen. Een ontspannen en kalme houding
kan iemand die aan autogene training doet tot een tweede natuur worden.
aversietherapie (aversion therapy)
Deze therapie werd vroeger veel gebruikt in de behandeling van alcoholmisbruik.
Bij aversietherapie koppelt de therapeut een aversieve stimulus (UCS) aan
drinken van alcohol (CS) of aan visuele of geurrepresentatie van alcohol, met
als doel een geconditioneerde aversie voor drinken op te roepen. Als aversieve
stimulus maakt men meestal gebruik van elektrische schokken of van misselijkheid
oproepende geuren. Coverte sensitisatie is een variant van deze techniek,
waarbij iedere keer wanneer de patiënt zich voorstelt dat hij alcohol consumeert
een imaginaire aversieve stimulus volgt (bijvoorbeeld een scène waarin de
patiënt braakt).
aversieve conditionring (aversive conditioning)
Een prikkel bij conditioneren die pijn doet zoals een elektrische schok en angst
veroorzaakt.
aversieve stimulus (aversive stimulus)
Een stimulus die negatief tot zeer negatief doorwerkt op het organisme en
hierdoor vermindering of uitdoving van bepaald gedrag als gevolg kan hebben. Een
voorbeeld is het medicijn disulfiram (Antabus) dat als aversieve stimulus werkt
bij alcoholverslaving. Dit medicijn leidt bij inname van alcohol tot aversieve
verschijnselen zoals rood en warm worden, hartkloppingen, benauwdheid, zweten
misselijkheid en duizeligheid.
- B -
backward conditioning (~)
Wijze van conditionering in een laboratorium omgeving met proefdieren, die
andersom is dan gewoonlijk in plaats van eerst de zoemer en dan het voedsel nu
eerste het voedsel en dan de zoemer.
Bandura, Albert (~)
(Geb. 1925) Canadees psycholoog bekend om zijn sociale leertheorieën en wordt
wel gezien als de vader van de cognitieve beweging binnen de psychologie.
Bandura studeerde in 1949-1952 af als psycholoog aan de universiteit British
Columbia en kwam daar onder invloed het behaviorisme en zijn leertheorieën. In
1953 ging hij aan de Stanford Universiteit doceren, waar hij samen met Richard
Walters in 1959 zijn eerste boek "Adolescent Aggression" publiceerde. Bandura
ontwikkelde daarna het zogenaamde 'reciproke determinisme'. Een theorie die
stelt dat de persoon en zijn omgeving elkaar wederzijds beïnvloeden en daarom
beide van belang zijn. Dit in tegenstelling tot het behaviorisme, dat
uitsluitend van de omgeving uitgaat. Later ging hij nog een stap verder en ging
ervan uit dat mensen onder invloed zijn van drie fenomenen: de omgeving, iemands
gedrag en zijn eigen psychologische of mentale processen. Deze mentale processen
bestaan onder andere uit ons voorstellingsvermogen en de taal. Bandura deed
honderden onderzoeken. Bekende empirische onderzoekingen zijn 'babydoll
studies', waarin duidelijk naar voren kwam dat observationeel leren (of modeling)
plaats vindt zonder dat hier een beloning tegenover staat; dit in tegenstelling
tot wat de behavioristische theorieën stelden. Deze theorie van sociale modeling
wordt wel de sociale leertheorie genoemd. Bandura deed verschillende variaties
op het babydoll onderzoek en ontdekte bepaalde fasen in het sociale leerproces
en noemde deze fasen: aandacht (attention), onthouden (retention), nadoen (reproduction)
en motivatie (motivation), de laatste onder te verdelen in achteraf -,
ingebeelde - en overgedragen bekrachtiging. Ook vond Bandura negatieve
motivaties (zoals straffen) van belang voor het leerproces zo onderscheidde
Bandura ook achteraf -, ingebeelde - en overgedragen bestraffing.
Bandura beschouwde daarnaast de eigen gedragscontrole (zelfregulatie) als een
tweede facet van iemands persoonlijkheid. Hij onderscheidde hierbij drie
onderdelen: zelfobservatie, beoordeling en zelfrespons, waarbij ook het
zelfconcept (zelfvertrouwen) een belangrijke rol speelt bij zelfregulatie.
Bandura onderscheidde drie reacties bij zelfbestraffing: compensatie, apathie en
vluchtgedrag; zoals we dit ook terug zien bij de neurotische
karakterbeschrijvingen van Adler en Horney. Bandura onderscheidde de volgende
drie belangrijke onderdelen bij gedragscontrole en een zwak zelfconcept:
realistische gedragsreflectie, realistische verwachtingen en het zorgen voor
positieve zelfsturing. De voorgaande onderdelen van zelfregulatie worden onder
andere gebruik in de 'self-control therapy' , een succesvolle therapie toegepast
bij het veranderen van relatief simpele gewoonten zoals roken, te veel eten of
foutief studeergedrag. Bandura is echter het meest bekend geworden door zijn 'modeling
therapie', die uit gaat van de theorie dat als iemand met psychologische
problemen een andere persoon ziet in dezelfde situatie met een veel effectiever
gedragsresultaat als de persoon zelf, hij dit voorbeeldgedrag door modeling kan
aanleren. Bandura is van grote invloed geweest op de verdere ontwikkeling van
persoonlijkheidstheorieën, de sociale gedragstherapie en de cognitieve
psychologie in het algemeen. Dit komt vooral ook door zijn heldere en
gedragsmatige aanpak die de meeste mensen erg aanspreekt. Vanaf 1960 is de
cognitieve revolutie gestart en Bandura heeft met zijn sociale en cognitieve
leertheorieën, en zijn empirisch onderzoek hier een fundamentele bijdrage aan
geleverd. Werken van Bandura zijn onder andere: "Social Foundations of Thought
and Action" (1986), "Social Learning Theory" (1977), "Social Learning and
Personality Development" (1963) en "Aggression: A Social Learning Analysis"
(1973).
basishoudingen, Rogeriaans therapeut (basic attitudes, Rogerians therapist)
Volgens Carl Rogers, de grondlegger van de Cliënt Centered Therapie, zijn er
drie basishoudingen van de therapeut die de Rogeriaanse therapeut kenmerken: 'De
therapeut moet de cliënt onvoorwaardelijk accepteren, congruent en authentiek,
en empatisch zijn'.
Beck, cognitieve model (Beck, cognitive model)
Aaron Beck's opvattingen hebben een grote invloed gehad op het empirisch
onderzoek naar cognitieve modellen van de psychopathologie.
1. Zo formuleerde hij hypothesen over kenmerkende cognitieve processen en
inhouden bij uiteenlopende vormen van psychopathologie. Bijvoorbeeld:
informatieverwerking bij depressieven overheerst door interpretaties en
verwachtingen van verlies, angst als interpretatie van gevaar. Beck (zie foto)
heeft onder andere diverse vormen van cognitieve therapie ontworpen.
2. Niet irrationeel maar disfunctionele opvattingen, opvattingen die aanleiding
geven tot onnodig veel emotionele en/of gedragsmatige problemen. Mensen met
psychopathologische stoornissen maken kenmerkende logische en/of empirische
fouten in hun redeneringen, waardoor ze onnodig veel lijden. Deze 'denkfouten'
houden de stoornis in stand. Beck beschreef zijn theorie in termen van schema's.
behaviorisme (behaviourism)
Een invloedrijke Amerikaanse stroming binnen de psychologie die vooral opgang
maakte in de periode voor de Tweede Wereldoorlog en met name door de
invloedrijke behaviorist John. B. Watson (1878-1958). In het Behaviorisme
streeft men naar een psychologie die het gedrag van dier en mens objectief
meetbaar maakt en daardoor geschikt voor wetenschappelijke toetsing. De
behavioristen waren fel gekant tegen het heersende Structuralisme binnen de
psychologie. Het Structuralisme of bewustzijnspsychologie leende zich volgens
hen niet voor wetenschappelijk toetsing, omdat het bewustzijn volgens hen een
niet meetbaar fenomeen is en zij gingen er daarom vanuit dat gedragreacties
(Respons) uitsluitend voorkomen uit een stimulus (S). De introspectieve wijze
zoals die toegepast werd in de psychologie was voor hen onaanvaardbaar. Watson
werd sterk beïnvloed door de Russen Pavlov (1849-1936), Sechenov (1829-1905) en
Bechterev (1857-1927) en de Engelsen H. Spencer (1820-1903) en Lloyd Morgan
(1852-1936), artsen en filosofen die zich uitgebreid bezig hadden gehouden met
geconditioneerd en reflexologisch gedrag bij vooral dieren. Maar ook door zijn
landgenoten Thorndike, Yerkes en K.S. Lashley zijn voor hem belangrijk geweest.
Het Behaviorisme werd ook sterk beïnvloed door de empirische wetenschappelijk
aanpak in de exacte natuurwetenschappen. Dit was de reden dat men een voorkeur
had voor experimenteel onderzoek, het toetsen van hypothesen en theorieën met
vooral dieren. Het Behaviorisme werd in die tijd ook wel degenererend
'rattenpsychologie' genoemd.
Volgens Watson was het leren van de mens maatgevend, erfelijk eigenschappen
waren volgens hem van ondergeschikt belang. Naast Watson waren er diverse andere
psychologen die van groot belang geweest zijn voor het (Neo)Behaviorisme.
Zo was C.L. Hull (1884-1952) een groot theoreticus van het Behaviorisme. Hij
ontwierp een groot aantal theorieën met diverse belangrijke begrippen zoals het
begrip 'drive' (drijfveer) en probeerde de psychologie een meer wiskundig
fundament te geven.
B.F. Skinner deed vele experimenten met onder andere duiven en kippen en
ontwierp de beroemde Skinner Box, een grote box waarin dieren beloond werden
voor hun leergedrag. Hij schreef ook een roman "Walden Two" genaamd. Dit boek
ging over de 'ideale' levensvorm gebaseerd op de toepassing van het
Behaviorisme.
E.C. Tolman (1886-1959) noemde zich een Behaviorist of beter 'Purpose
Behaviorist' omdat hij speciale aandacht had voor het begrip 'doel'. Tolman was
een van de eerste 'rattenpsychologen' en volgens hem was hèt doel: het leren van
ratten. Tolman introduceerde het nieuwe begrip interveniërende variabelen en
doelde hierbij op alles wat meespeelde tussen de stimulus en respons.
Van groot belang zijn ook de eerder genoemd Russische wetenschappers vooral
Pavlov en Bekterev die eigenlijk de basis hebben gelegd voor het Behaviorisme,
door hun onderzoek naar geconditioneerd leren in al zijn facetten. Pavlov heeft
voor zijn wetenschappelijk verdiensten in 1904 de Nobelprijs gekregen en zijn
onderzoek was voor die tijd van een ongekende betrouwbaarheid, precisie en
geldigheid.
We kunnen samengevat stellen dat hoewel het Behaviorisme de mentale processen
niet integreerde wat tegenwoordig als ondenkbaar wordt beschouwd, het
Behaviorisme van groot belang is geweest voor de huidige psychologie als het
gaat om de toepassing van leertheorieën, de wetenschappelijk aanpak, de
empirische relevantie van onderzoek en het gebruik van methoden en technieken en
de statische verwerking van onderzoeksgegevens.
Bekhterev, Vladimir (~)
(1857-1927) Russisch neurofysioloog en psychiater die de opbouw van de hersenen
bestudeerde en geconditioneerde reflexen onderzocht. Bekhterev haalde zijn
doctoraal in 1881 aan de Medical-Surgical Academy in St. Petersburg en studeerde
daarna vier jaar in het buitenland. Hij keerde in 1885 terug naar Rusland om
professor psychiatrie te worden aan de universiteit van Kazan, waar hij het
volgende jaar het eerste experimentele psychologie laboratorium in Rusland
stichtte. Hij werd in 1893 professor psychiatrie aan de Military Medical Academy
in St. Petersburg en stichtte daar in 1907 een psychoneurologisch instituut,
ofschoon hij in 1913 als professor zijn ontslag moest nemen. Hij werd in ere
hersteld na de Russische Revolutie van 1917 en kreeg vanaf 1918 tot zijn dood
een leerstoel bij de psychologie en reflexologieafdeling van de universiteit van
Petrograd (voorheen St. Petersburg). Als concurrent van Ivan Pavlov, ontwikkelde
Bekhterev onafhankelijk een theorie over geconditioneerde reflexen, en
bestudeerde zowel aangeboren als aangeleerde reflexen in het laboratorium.
Bekhterev’s meest vruchtbare werk was zijn onderzoek op het gebied van de
hersenmorfologie en zijn originele beschrijving van verschillende zenuwziekten
en symptomen. Hij ontdekte de 'superieure vestibule nucleus' (Bekhterev nucleus)
en diverse andere voorheen onbekende hersenstructuren. Hij beschreef ook de
verlamming van de ruggegraat (Bekhterev's ziekte), nieuwe vormen van
wervelontsteking en diverse andere ziekten. Bekhterev startte in 1896 het "Nevrologichesky
Vestnik" (Neurologisch Tijdschrift), het eerste tijdschrift over zenuwziekten.
Hij had een voorkeur voor een zuivere objectieve benadering van gedragsstudies
en had de overtuiging dat complex-gedrag verklaard kon worden door de studie van
reflexen en beïnvloedde de groeiende behaviouristische beweging in de Verenigde
Staten. Enkele van zijn belangrijke werken zijn "Conducting Paths in the Brain
and Spinal Cord" (1889) en "Objective Psychology" (1907).
bekrachtigingsschema (reinforcement schema)
De wijze waarop de bekrachtiging (toedienen van een positieve stimulus) wordt
aangeboden. Het is vooral de behaviorist B.F. Skinner geweest die door
uitgebreid onderzoek te doen met dieren de diverse bekrachtigingsschema een
plaats heeft gegeven in de leertheorie. Zo zijn er bijvoorbeeld vier partiële
bekrachtigingschema's (schema's waarbij een respons slechts af en toe wordt
bekrachtigd) zoals:
1. Fixed ratioschema (FR-schema). De bekrachtiging wordt steeds na een vast
aantal responsen toegediend.
2. Fixed-intervalschema (FI-schema). Hierbij volgt de bekrachtiging na een
juiste reactie op een zekere tijdstip.
3. Variable-ratioschema's (VR-schema's). Bekrachtiging volgt steeds op een
verschillend aantal responsen
4. Variabel-intervalschema VI-schema). Bekrachtiging volgt steeds na het verloop
van een verschillende tijdsperiode.
Uit de vele dierproefen constateerde hij dat het gedragspatroon van dieren
verschilt naar gelang het type bekrachtiging schema's.
bekrachtiging, sociale (reinforcement, social)
A. Term uit de bekrachtigingstheorie van P.M. Lewinsohn (1974). Te weinig
sociale bekrachtiging kan tot depressie leiden volgens het volgende overzicht:
1.1 De omgeving heeft weinig bekrachtigers beschikbaar,
1.2. in verband met persoonlijke kenmerken zijn er weinig potentieel
bekrachtigende gebeurtenissen,
1.3. er zijn weinig vaardigheden beschikbaar die bekrachtiging uitlokken,
1.1,1.2 en 1.3 leiden tot een 'lage ratio van positieve bekrachtiging' en tot
depressie.
2.1 De omgeving heeft veel aversieve gebeurtenissen,
2.2 in verband met persoonlijke kenmerken zijn veel gebeurtenissen aversief,
2.3 het gedrag van de persoon lokt aversieve reacties uit,
2.1, 2.2 en 2.3 leiden tot 'hoge ratio van aversieve ervaringen' en tot
depressie.
B. Bij klassieke conditionering de procedure waarmee de ongeconditioneerde
stimulus contingent verbonden wordt met de conditioneerde stimulus. Bij
instrumentele conditionering de procedure waarmee de instrumentele respons
contingent verbonden wordt met een bepaalde, verlangde uitkomst.
bekrachtiging, (niet-)contingente (reinforcement, (not)contingent)
De bekrachtiging wordt contingent genoemd als de beloning of straf daadwerkelijk
het gevolg is van vertoond gedrag. Wanneer de bekrachtiger niets te maken heeft
met het gedrag, is hij niet contingent. Men vermoedt dat niet-contingente
bekrachtigers een rol spelen bij het ontstaan van bijgeloof. Een bekend
voorbeeld hiervan is de voetballer die na het eten van een broodje kroket een
goede wedstrijd speelt. Hij gaat dan geloven dat het broodje kroket de goede
wedstrijd heeft veroorzaakt, en wil voortaan niet meer spelen zonder eerst deze
snelle hap naar binnen gewerkt te hebben.
betekenismodellen (models of means)
Modellen die psychologische verschijnselen zoals motivatie verklaren vanuit de
betekenis die de persoon geeft aan de situatie waarin hij zich bevindt. Ook wel
cognitieve modellen genoemd.
bewustzijn (consciousness)
Bewustzijn is een kwaliteit van een situatie, waarin we duidelijk weet hebben
van iets anders dat voor ons verschijnt, en in een of meerdere mate van het feit
dat wij er weet van hebben. Dit komt tot uiting in de uitdrukking : 'Ik ben me
bewust van de situatie.' Het werkwoord is 'zich bewustzijn'. Dit wil zeggen dat
ik zo'n besef van de situatie heb dat ik erover kan spreken, dat ik
alternatieven kan bedenken, dat ik op de situatie kan inspelen, deze tot op
zekere hoogte kan veranderen, dat ik ook andere wijzen van ervaren en
interpreteren van de situatie kan voorstellen. Het is een niet volledig
onderworpen-zijn, een niet geheel opgaan in een harde situatie, een zijn. De
factoren die op me inwerken zijn niet alle meer direct. Er is een ruimte waarin
gehandeld kan worden, waarin geïnterpreteerd, gedacht en gesproken kan worden.
Deze ruimte geeft een zekere vrijheid van de situatie. 'Het bewustzijn' is dan
de ruimte of het licht waarin vanuit een eerste persoon, de ik-pool, iets (de
objectpool) verschijnt. Deze eerste persoon heeft dus een besef van iets, zijn
zijnswijze is een bewust-zijn. Bewustzijn als de kwaliteit van een situatie (zie
begin) is dus de kwaliteit van de eigen, eerste-persoonssituatie en wel de
kwaliteit van ruimte en licht waarin iets waarneembaar wordt. Van hieruit zijn
er vele andere terreinen te formuleren waarop bewustzijn een plaats kan hebben.
Fenomenologisch kunnen we kwaliteiten van bewustzijn gaan variëren en zien wat
daar uit komt. Taalanalytisch gaat het om de betekenissen van het begrip
'bewustzijn' te beschrijven. In de loop van het college zullen de verschillende
paragrafen worden aangevuld.
We kunnen de volgende vormen van 'bewustzijn' onderscheiden:
1) bewustzijn van, weten, kennen; tegenover niet-bewust-zijn, niet weten
2) moreel bewustzijn van: het geweten; moreel oordelen
3) meer of minder reflexief zich bewustzijn van zichzelf; naast zich bewustzijn
van de (dingen) van de wereld
4) als innerlijke ervaarbare sfeer van werkelijkheid, mentale bewustzijnsveld;
daarin de bewustzijnsverschijnselen
5) meer en minder gebonden aan de eigen persoon
6) subject (antropologisch, transcendentaal filosofisch); tegenover object
7) het bewuste als onderdeel van de structuur van psyche; naast het onbewuste
(psychoanalyse)
8) individueel, maar ook gezamenlijk, gemeenschappelijk, maatschappelijk (Marx'
klassenbewustzijn, bovenbouw)
9) algemeen menselijk verschijnsel (wijsgerig antropologisch)
10) metafysisch gegeven (Duitse idealisme); kosmisch bewustzijn (spiritualisme)
(Dr. Douwe Tiemersma, Filosofie van het bewustzijn, 1999-2000)
bifasische respons (biphasic response)
Dit houdt in dat er in de eerste minuten na confrontatie met een bloedige
stimulus een korte verhoging van bloeddruk en hartslag zal optreden (verhoogde
arousal), gevolgd door een drastische verlaging van bloeddruk en hartslag
(verlaagde arousal), hetgeen flauwvallen tot gevolg kan hebben.
Binswanger, Ludwig (~)
(1881-1966) Switzers psychiater (zie foto) en schrijver die het principe van de
existentiële fenomenologie, speciaal zoals vertolkt door Martin Heidegger,
toepaste op de psychotherapie. Bij het stellen van een psychiatrische diagnose
vond hij dat psychische stoornissen (bijvoorbeeld manisch-, zonderling- en
gekunseld gedrag) veroorzaakt werden door het gestoorde zelfbeeld van de patiënt
en zijn ongepaste relaties met zijn omgeving. Hij ontwierp een manier van
psychoanalyse om de patiënt zijn zelfbewustzijn te laten ontwikkelen als
onderdeel van zijn totale persoonlijkheid, het uniek van zijn existentie en de
communicatie met de wereld om zich heen. Eén van zijn belangrijke werken is "Grundformen
und Erkenntnis menschlichen Daseins" (1962) en "Erinnerung an Sigmund Freud"
(1956).
borderline persoonlijkheidsstoornis (borderline personality disorder)
In de DSM IV wordt de borderline persoonlijkheidsstoornis beschreven als iemand
met een voortdurend aanwezig patroon van instabiliteit in tussenmenselijk
relaties, zelfbeeld, affectten en controle over impulsen. Dit begint in de
vroege volwassenheid en komt tot uiting in diverse situaties zoals blijkt uit
ten minste vijf van de volgende criteria:
1. krampachtige pogingen om feitelijke of imaginaire verlating te voorkomen
(reken hiertoe niet het suïcidaal of automutilatief gedrag onder 5);
2. een patroon van instabiele en intense relaties gekenmerkt door wisselingen
tussen de extremen van idealisatie en devaluatie;
3. identiteitsstoornissen: aanhoudend en opvallend gestoord, vervormd of
instabiel zelfbeeld of zelfgevoel;
4. impulsiviteit op ten minste twee gebieden die potentieel schadelijk zijn voor
de persoon zelf. Voorbeelden: geld verkwisten, seks, misbruik van middelen,
roekeloos autorijden, vraatzucht (suïcidaal of automutilatief gedrag onder 5
wordt hier buitengesloten);
5. terugkerende suïcidale gedragingen, gebaren, dreigingen of automutilatief
gedrag;
6. affectlabiliteit als gevolg van een opvallend reactiviteit van de stemming.
Bijvoorbeeld: intense episodische dysforie, geïrriteerdheid of angst die meestal
enkele uren duurt en zelden langer dan een paar dagen;
7. chronische gevoelens van leegte;
8. onaangepaste, intense woede of gebrek aan beheersing van woede. Voorbeelden:
frequente driftbuien, constante woede of herhaalde vechtpartijen;
9. voorbijgaande, aan stress gerelateerde paranoïde ideatie of ernstige
dissociatieve symptomen.
(DSM-IV; APA,1994)
bottom-up- en top-down-verwerking van informatie (bottom-up & top-down process
of information)
Bottom-up informatieverwerking hangt samen met cognitieve activiteiten beginnend
met 'eenvoudige' zintuiglijke informatie die verder verwerkt wordt door
complexere denkprocessen. Top-down informatieverwerking hangt samen met
cognitieve informatie die gestuurd wordt door bestaande kennis en verwachtingen.
bottom-up benadering leerproces (data driven process)
Hierbij gaat men ervan uit dat de lagere ordeprocessen de basis vormen voor de
hogere ordeprocessen en dat later optredende processen in een sequentie pas
kunnen optreden als de eerdere afgerond zijn. Zo moet het decoderen zijn
afgerond voor het begrijpen als proces kan beginnen.
bounded rationality (~)
Hierbij gaat men ervan uit dat mensen liever automatisch en suboptimaal
reageren, dan dat ze zich eindeloos en meestal onnodig uitputten voor het vinden
van de werkelijk beste oplossing (H. Simon,1957).
- C -
central executive (~)
Neurologische functie die men nodig heeft in weerbarstige omstandigheden waar
snelle oplossingen en eerdere routines niet helpen. De centrale executieve
functies worden vaak in verband gebracht met de frontaalkwabben, met name de
prefrontale hersengebieden, dat wil zeggen de frontale hersenschors met
uitzondering van de motorische en premotorische schorsgebieden. Bij mensen met
prefrontale letsels zouden planning- en regulatiestoornissen zich manifesteren
in psychologische inertie: 'Weinig eigen initiatief, maar als een gedrag één
keer op gang is, kan het moeilijk gestopt worden'.
chunking (~)
Een term voor een specifieke wijze van informatieverwerking voor het eerst
beschreven door George Miller. Als men verschillende informatie eenheden zoals
een willekeurige rij getallen is dat vaak moeilijk. Als men echter deze rij
getallen in een betekenisvolle volgorde plaats wordt de rij getallen wel goed
onthouden. Dit hangt ten nauwste samen met de beperkte informatie die in het
kortetermijngeheugen kan worden opgeslagen.
cognitie (cognition)
Cognitie is een ruim begrip voor denken en waarnemen, dus gedragingen die ofwel
tot kennisverwerving leiden of voor het gebruik van kennis nodig zijn. Het is
ook de ontwikkeling van denken en kennen, cognitie zorgt ervoor dat iedereen op
zijn manier de wereld organiseert. Onder cognitie worden ook processen van
denken en waarnemen verstaan waardoor kennis wordt opgeslagen en kan worden
gereproduceerd of toegepast. Het is ook het geheel van activiteiten, waardoor
het individu informatie vanuit zijn omgeving opneemt, verwerkt en toepast.
Cognitie is een integrale term voor kenvermogen
De term cognitief verwijst naar vaardigheden als: onthouden, vergelijken,
categoriseren, ruimtelijk oriëntatie, abstraheren, enzovoorts. Bij het meeste
wat mensen doen verwerken ze met deze vaardigheden informatie uit de sociale
context. Cognitieve vaardigheden zijn dan ook vrijwel per definitie onderdeel
c.q. voorwaarden voor andere (functionele, sociale, emotionele, affectieve en
communicatieve) vaardigheden. Onder de term 'cognitieve vaardigheden' gaan twee
samenhangende aspecten schuil: de cognitieve structuur van een individu, als
organisatie van verschillende denkmiddelen. Vergelijkend gedrag kan bijvoorbeeld
opgevat worden als cognitieve structuur. Deze structuur bestaat uit
verschillende denkmiddelen zoals: zorgvuldig opnemen van informatie, informatie
interpreteren volgens een aantal parameters, zoeken naar gelijkenissen of
verschillen op die parameters, conclusies trekken enzovoort. Als mensen
denkmiddelen goed kunnen gebruiken in een geïntegreerd geheel zullen zij altijd
teruggrijpen naar die cognitieve structuur. Het wordt een spontane, automatische
reactie; een onderdeel van het gedragsrepertoire. Een nieuwe cognitieve
structuur komt vervolgens tot uiting in alles wat een persoon in kwestie doet.
In de dagelijkse praktijk worden zaken bijvoorbeeld spontaan aan elkaar
gerelateerd door nieuw vergelijkend gedrag. Vanaf het moment dat de cognitieve
structuur een wezenlijk onderdeel vormt van het gedragsrepertoire is er volgens
R. Feuerstein sprake van een structurele verandering (B.W. Coenen, 1998).
cognitiedagboek (cognition diary)
Dit is een dagboek die door de cliënt, in cognitieve gedragtherapie, dagelijks
wordt bijgehouden en waarin de cliënt situaties, gevoelens, automatische
gedachten, uitdagingen of experimenten en rationele gedachten bijhoudt.
cognitief beslissingsgedrag (cognition decision behaviour)
Stadia van de verschillende stappen die gezet moeten worden alvorens een complex
probleem opgelost kan worden. De psychologen I.L. Janis en L. Mann onderscheiden
daarbij vijf stappen.
1. is het onderkennen dat er een probleem bestaat.
2. is het maken van een overzicht van mogelijke oplossingen.
3. bestaat uit het tegen elkaar afwegen van de verschillende mogelijkheden.
4. bestaat uit het afwegen van de manier waarop de gekozen oplossing het best
ten uitvoer gebracht kan worden en
5. tenslotte is de uitvoering. Deze stadia worden bij veel problemen niet
allemaal doorlopen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een probleem wordt
onderkend, zonder dat iets aan een oplossing wordt gedaan.
cognitief clarificerend inzicht (cognitive clarification insight)
Inzicht van de psychotherapeut voor de patiënt wat dient als innerlijk
referentiekader, waardoor de patiënt in staat is te begrijpen wat er in zijn
leven gebeurt om vervolgens daarop te kunnen anticiperen. In die zin kan
cognitief clarificerend inzicht ook angstreducerend werken.
cognitief domein (cognitive domain)
Gebied van leerdoelen die betrekking hebben op weten, begrijpen en toepassen van
kennis.
cognitief functieonderzoek (cognitive function examination)
Onderzoek waarbij de cognitieve functies van mensen wordt onderzocht. Cognitieve
functies zijn het product van 'hogere' hersenactiviteiten, die het beste
onderzocht kunnen worden met behulp van psychologische onderzoeksmethoden. Bij
cognitief functieonderzoek worden de elementaire psychologische processen,
waarop al ons waarnemen, denken en handelen gebaseerd is, onderzocht.
cognitief-gedragmatige behandeling (cognitive behavioral treatment)
Deze behandeling is bijvoorbeeld bij persoonlijkheidsstoornissen gericht op
verandering van de persoon. Het uitgangspunt is dat verandering van de persoon
een betere aanpassing tot gevolg heeft als bijvoorbeeld een
'adaptatiebevorderende' behandeling (J.J.L. Derksen, 1993).
cognitief schema (cognitive map)
De mentale voorstelling van de voor het bereiken van een doel nodig geachte
informatie. De term komt van de Amerikaanse psycholoog Edward C. Tolman, die
stelde dat leren meer is dan het koppelen van nieuwe responsen aan bepaalde
prikkels (zoals extreme behavioristen beweerden). De hersenen beschikken over
een ruimtelijke representatie van de omgeving en maken daar gebruik van bij het
leren. Wanneer nieuwe informatie wordt opgenomen, wordt die in het schema
ingepast. Met dit begrip kon Tolman verklaren waarom een rat voedsel in een
doolhof sneller leerde vinden als hij voor de proef enige tijd in de doolhof had
rondgelopen.
cognitieve analytische therapie (cognitive analytic therapy)
Combinatie van cognitieve en analytische therapie van Antony Ryle (1990).
cognitieve beheersing (cognitive control)
Dit betekent dat nieuwe waarnemingen en denkpatronen worden verworven en dat
zelfbewustzijn en begrip wordt vergroot (T.B. Karasu, 1986).
cognitieve beoordeling (cognitive appraisal)
Cognitieve beoordeling van bijvoorbeeld een potentieel stressvolle situatie,
inclusief mogelijke reacties. R.S. Lazarus heeft in verschillende werken
beargumenteerd dat mensen geen affectieve reactie kunnen hebben op een
stressvolle stimulus zonder een cognitieve beoordeling van de stimulus, zelfs
als deze stimulus niet op het bewustzijnsniveau plaatsvindt.
Smith en Lazarus (1993) veronderstellen dat er zes componenten bij de
beoordeling zijn te onderscheiden:
1. motivationele relevantie (staat het in relatie tot mijn persoonlijke wensen?)
2. motivationele congruentie (is het consistent met mijn doelen?)
3. toerekenbaarheid (wie heeft 'krediet' of 'schuld'?)
4. probleemgerichte copingmogelijkheid (kan de situatie ten goede keren?)
5. emotioneelgerichte copingmogelijkheid (kan de situatie psychologisch opgelost
worden?)
6. toekomstverwachting (kan de situatie veranderen?)
Van deze zes onderdelen noemt Lazarus de eerste twee de 'primary appraisal' en
de resterende vier de 'secondary appraisal'. Primary appraisal gaat over het
beoordelen van iemands situationele relevantie, secondary appraisal gaat over
het beoordelen van iemands hulpbronnen om er mee om te gaan. Daarnaast stelde
Lazarus een derde fase voor de zogenaamde 're-appraisal', waarin de situatie en
coping strategieën worden gecontroleerd en indien nodig gewijzigd.
cognitieve bias (cognitive bias)
Een 'vertekening' (bias) van de werkelijkheid die voortkomt uit (automatische)
assumpties die iemand heeft. Als bijvoorbeeld vroege ervaringen leiden tot
vooringenomenheid ('cognitieve bias'), waardoor het kind, ook als volwassene, de
wereld sterk negatief interpreteert en met depressie reageert op (dreigende)
verlieservaringen of krenkingen.
cognitieve component van attitudes (cognitive component of attitudes)
Deze component bestaat uit opinies en overwegingen.
cognitieve desorganisatiesyndroom (cognitive disorganize syndrome)
Een syndroom met formele denkstoornissen, verminderde inhoudelijke spraak en
ongepast affect.
cognitieve dissonantie (cognitive dissonance)
Inconsistentie tussen handelingen, overtuigingen, attitudes of gevoelens.
Volgens de cognitieve dissonantietheorie veroorzaakt dit een onaangename
innerlijk toestand die mensen proberen te reduceren door een deel van hun
ervaringen opnieuw te interpreteren, zodanig dat ze consistent (in evenwicht)
zijn met de overige (L. Festinger, 1957). Zie cognitieve dissonantie theorie.
cognitieve dissonantietheorie (cognitive dissonance theory)
Een consistentietheorie van Leon Festinger (1957). Onder consistentieprincipe
wordt verstaan: 'dat in principe wordt verondersteld dat een persoon, als hij
meent dat zijn ideeën, meningen en waarden en gedrag hetzij intern strijdig,
hetzij met elkaar strijdig zijn, tracht deze strijdigheid op te heffen'.
Volgens de cognitieve dissonantietheorie kunnen cognitieve elementen drie
soorten relaties met elkaar hebben: consonant, dissonant of irrelevant. Het
laatste betreft het ontbreken van een betrekking. Dissonantie bestaat wanneer
twee kenniselementen niet met elkaar te rijmen zijn. De theorie richt zich op de
consistentie van cognities; er wordt vooral voorspeld wat het effect van
cognitieve dissonantie zal zijn. Dissonantie wordt geacht een onplezierige
toestand te zijn, die afhankelijk van de mate van dissonantie, zal leiden tot de
neiging dissonantie te reduceren. De mate van dissonantie is een verhouding van
dissonantie en consonante cognities en kan als volgt in een formule worden
weergegeven:
cognitieve dissonantie = (dissonantie cognities/consonante
cognities) x belangrijkheid
De verhouding tussen de dissonante en consonante cognities wordt ook wel gewogen
met de belangrijkheid van de cognities. In het algemeen zou men kunnen zeggen
dat de grootte van de dissonantie toeneemt naarmate de cognities belangrijker
zijn en/of het aantal cognities toeneemt die in een dissonante relatie tot
elkaar staan. De motivatie om de dissonantie te reduceren, wordt met toenemend
belang ook sterker. Cognitieve dissonantie kan worden verminderd of opgelost
door toevoeging van nieuwe cognities of door bestaande cognities te veranderen.
Dissonantie zal in het algemeen worden verminderd op de manier die de minste
moeite en aanpassing vergt.
cognitieve gedragstherapie (cognitive behavior therapy)
De combinatie van cognitieve en gedragstherapeutische procedures wordt
cognitieve gedragstherapie genoemd. In de ontwikkeling van beide therapievormen
van de laatste 25 jaar bleken een aantal psychische klachten beter met
cognitieve therapie te behandelen terwijl andere klachten weer beter met
gedragstherapie te behandelen waren. De combinatie van beide therapieën leek een
logische stap speciaal ook omdat cognitief therapeuten vaak in de traditie van
de gedragstherapie werken. Cognitieve gedragstherapie blijkt (met de
interpersoonlijke psychotherapie) de gunstigste effecten op te leveren in
therapie effectstudies (S.D. Hollon e.a, 1992). De verdere ontwikkeling van
zowel de cognitieve als de gedragstherapie na 1960 heeft dit mogelijk gemaakt en
vooral ook het feit dat deze therapievormen werden uitgebreid naar andere
psychische klachten zoals depressie, posttraumatische stress en
persoonlijkheidstoornissen. De cognitieve gedragstherapie gaat ervan uit dat
gedachten, gevoelens en gedrag op een bepaalde manier met elkaar verbonden zijn.
Iemands gedachten beïnvloeden zijn of haar gevoelens en gedrag. Negatieve
gedachten zoals 'ik ben niks waard' of 'ik kan dat toch niet' kunnen psychische
problemen veroorzaken of versterken. De cognitieve gedragstherapeut zal samen
met de cliënt nagaan welke ideeën hij heeft over zichzelf en anderen, wat
anderen van hem denken, wat hij zou moeten doen en/of kunnen, of dat de cliënt
schuld heeft aan iets, enzovoorts. De therapeut zal vervolgens met de cliënt in
gesprek gaan over de mate waarin zijn ideeën op realiteit berusten. Het accent
ligt op het aanleren van andere, meer positieve gedachten. Via het beïnvloeden
van denkbeelden kan de cliënt zijn gevoelstoestand in gunstige zin veranderen.
Daardoor verandert zijn doen en laten in positieve zin en verminderen zijn
klachten. Cognitieve gedragstherapie heeft in de afgelopen jaren veel aandacht
gekregen.
cognitieve herdefinitie (cognitive redefinition)
Het probleem in een positiever licht gaan zien.
cognitieve hersenpotentialen (cognitive brain potentials)
Veranderingen in het EEG die gerelateerd zijn aan de verwerking van aangeboden
prikkels.
cognitieve herstructurering (cognitive restructuring)
Het positiever en realistischer maken van stresserende gedachten.
cognitieve neuropsychiatrie (cognitive neuropsychiatry)
Dit is de verbintenis van cognitieve psychologie, neuropsychologie en
psychiatrie. De cognitieve psychologie bestudeert met behulp van exacte,
experimentele methoden het cognitief functioneren (aandacht, waarneming,
geheugen, taal, denken), en in toenemende mate ook het emotioneel functioneren.
De neuropsychologie relateert cognitieve en emotionele gedragingen aan het
functioneren van de hersenen. In de kliniek richt de neuropsychologie zich op
stoornissen in cognitie en emotie als gevolg van hersenletsel en hersenziekten.
De cognitieve psychologie en de neuropsychologie zijn steeds verder naar elkaar
toe gegroeid, en de komst van beeldvormende technieken, waarmee het functioneren
van de hersenen in vivo kan worden onderzocht, leverde mooie kansen voor de
cognitieve neuropsychologie om de validiteit van theorieën over cognitieve
functies te toetsen. Bovendien hebben de cognitieve psychologie en de
(klinische) neuropsychologie in de laatste decennia hun terrein verbreed naar
psychiatrische symptomen en ziekten. Ze hebben daarmee aansluiting gevonden bij
de biologische psychiatrie. Dit heeft geleid tot een nieuw wetenschapsgebied: de
cognitieve neuropsychiatrie (P. Eling e.a., 2003)
cognitieve neuropsychologie (cognitive neuropsychology)
Cognitieve neuropsychologie is het wetenschapgebied waar de relaties tussen
hersenstoornissen en cognities bestudeerd worden in onderzoek alsmede in de
praktijk waar deze kennis wordt toegepast in de vorm van diagnostiek,
begeleiding en behandeling. De cognitieve neuropsychologie is net als de
klinische neuropsychologie een onderdeel van de neuropsychologie.
cognitieve ontregeling (cognitive disorder)
Een formele denkstoornis waarbij de regels van de logica overtreden worden zoals
bijvoorbeeld bij wanen.
cognitieve ontwikkeling, volgens Piaget (cognitive development, by Piaget)
Jean Piaget (1896-1980) onderscheidt de cognitieve ontwikkeling van mensen in
vier fasen:
1. sensomotorische stadium (zintuigontwikkeling): objectpermanentie,
egocentrisme en representatie;
2. pre-operationele stadium: operaties of handelingen (nog niet reversibel);
3. concreet-operationele stadium: overgang omkeerbaar (reversibel) denken,
conservatie met argumenteren, seriatie, transitief denken en representatie van
anticiperende beelden;
4. formeel-operationele stadium: algemener en abstracter denken mogelijk zoals
logische denken en hypothetisch deductief-, propositioneel- en combinatorisch
redeneren.
Deze ontwikkeling van de intelligentie is een beschrijving van de kwalitatieve
veranderingen van de cognitieve structuren. Dit is een kwalitatieve benaderingen
daar het gaat om processen die ten grondslag liggen aan het intelligent
functioneren. De term cognitie verwijst naar het geheel van de processen die te
maken hebben met het verwerven en begrijpen van kennis, het oplossen van
problemen en het anticiperen op resultaten van een uit te voeren handeling. Er
zijn bij deze theorie twee nauw aan elkaar gerelateerde aspecten te
onderscheiden: de functie en de structuur van het intelligent handelen. De term
structuur verwijst naar een abstract begrip: een georganiseerde totaliteit waar
binnen de relaties tussen de elementen duidelijk zijn gedefinieerd. De functie
van de intelligentie betreft de tendentie naar organiseren (integreren en
coördineren) en adaptatie (accommodatie en assimilatie). Assimilatie is het
opnemen van elementen in de aanwezige structuur, hetzij fysiologisch of
cognitief. Accommodatie is het complementaire proces van assimilatie en is het
proces van verandering van bestaande structuren om deze geschikt te maken voor
het opnemen van nieuwe, onbekende informatie. Als motor van de ontwikkeling van
de intelligentie geldt bij Piaget het intrinsieke streven naar evenwicht (equilibratie)
als een zelfregulerende activiteit. Volgens Piaget doorlopen alle kinderen de
vier eerder genoemde stadia en wel in dezelfde volgorde, de leeftijd op zich
verklaart niet het intellectuele ontwikkelingsniveau van het kind. Niet alle
personen zullen het formeel-operationele stadium bereiken normaal eindigt het
laatste stadium op de leeftijd van zo'n twaalf jaar.
cognitieve psychologie (cognitive psychology)
Vanaf het eind van de jaren zestig onderkenden steeds meer psychologen dat de
hersenen informatie verwerken en niet slechts reageren op informatie. Dit
resulteerde in een nieuwe stroming: de cognitieve psychologie. De opkomst van de
cognitieve psychologie was gedeeltelijk een reactie op het behaviorisme. Volgens
het behaviorisme waren mentale processen niet toegankelijk voor empirische
toetsing, en vielen daarom buiten het domein van de empirische wetenschap. De
cognitieve psychologie beoogde juist wel theorieën over mentale processen te
formuleren. In de onderzoeksmethoden hebben de cognitivisten zich echter wel
laten inspireren door de behavioristen. Onderzoek naar mentale processen dient
langs experimentele weg te gebeuren en mag nooit volledig gebaseerd zijn op
zelfwaarneming of introspectie. In de cognitieve psychologie wordt de mens
beschouwd als een informatieverwerkend systeem. Hiermee wordt gedoeld op de
processen die een rol spelen bij het verwerven, de opslag en reproductie van
kennis. De kennis waarover een persoon beschikt is volgens de cognitief
psychologen georganiseerd in schema’s of associatieve netwerken. Schema's worden
gevormd op grond van de cognitieve verwerking van ervaringen en hebben
betrekking op een bepaald terrein. Dat kennis is georganiseerd in
generaliserende schema's biedt veel voordelen. Indien dat namelijk niet het
geval zou zijn, dan zou het geheugen vol zitten met losse ervaringen en
gedachten, zonder onderlinge verbanden, zonder organisatie. Schema's dienen dus
om informatie te selecteren, te reduceren en te interpreteren. Een nadeel kan
echter zijn dat eenmaal gevormde schema's een zekere weerstand vertonen tegen
verandering. Doordat schema's hun stempel drukken op de informatieverwerking
krijgt informatie die congruent is met reeds bestaande schema meestal voorrang
ten opzichte van informatie die incongruent is met het bestaande schema. Dit
resulteert soms in vertekeningen van de werkelijkheid (Eng: bias), waardoor
disfunctionele schema's kunnen ontstaan.
cognitieve schemata (cognitive schemas)
Representaties die zijn opgebouwd uit wiskundige schema's, zoals het
deel-geheel-schema.
Cognitieve Screening Test (~)
Afgekort: CST. Deze test is bedoeld om cognitief verval bij ouderen te meten en
bestaat uit 20 vragen, zoals 'Hoe oud bent u?', 'Wie is op het ogenblijk onze
koningin?', en 'Wanneer was de Tweede Wereldoorlog?'. Uit onderzoek blijkt dat
de test demente en niet-demente ouderen van elkaar kan onderscheiden (A. de
Graaf & B.G. Deelman, 1991).
cognitieve stijl (cognition style)
Stijl die betrekking heeft op de manier waarop individuen kennis over de
werkelijkheid organiseren.
cognitieve stoornissen (cognitive disorders)
Basale stoornissen van de informatieverwerking door de hersenen.
cognitieve strategieën (cognitive strategies)
Interne regelprocessen waarmee de lerende persoon zijn leerproces stuurt.
Bestaan uit kennis over mogelijke strategieën en kennis over wanneer en hoe deze
strategieën moeten worden uitgevoerd.
cognitieve theorie van de psychopathologie (cognitive theory of the
psychopathology)
Psychopathologen veronderstellen dat zogenaamde schema's de informatieverwerking
beïnvloeden. Een schema wordt geactiveerd door een bijpassende gebeurtenis. De
cognitieve hypothese van psychopathologie houdt in dat bepaalde schema's
hyperactief zijn geworden en de informatieverwerking zijn gaan domineren, zodat
vertekeningen in de interpretatie en daarmee excessieve emoties en gedragingen
gaan optreden. Zo wordt verondersteld dat in het geval van depressieve schema's
gecentreerd rondom verlies overheersen, zodat de depressieve persoon allerlei
gebeurtenissen zo gaat interpreteren dat ze steeds weer een nieuw verlies, of
een bestendiging van een verlies, gaan betekenen. Bij angststoornissen zouden
schema's gecentreerd rondom bedreiging, bij manie rondom winst, bij dwang rondom
schuld en bij agressie rondom normovertreding een rol spelen. De persoon ervaart
de hypervalentie van dergelijke schema's door de bijbehorende gevoelens en door
willekeurige gedachten. Deze zogenaamde automatische gedachten zijn, in
tegenstelling tot wat in vroege versies van cognitieve therapie werd
aangehangen, dus niet de oorzaak van het emotioneel onwel bevinden, maar zijn
evenals de gevoelens een product van de schema's. Het doel van de cognitieve
therapie is om uiteindelijk deze onderliggende schema's, die eenmaal gevormd
resistent zijn tegen verandering, te wijzigen.
cognitieve therapie (cognitive therapy)
Cognitieve therapie is een behandelvorm die gebaseerd is op het idee dat
psychische klachten of problemen voortkomen uit de wijze waarop mensen
informatie selecteren en verwerken. Hoewel de therapie 'cognitief' heet,
betekent dit niet dat ze koel en niet-emotioneel is. Het gaat bij cognitieve
therapie dan om wat wel de 'hot-cognitions' worden genoemd: opvattingen die nauw
verbonden zijn met sterke emoties en disfunctionele gedragingen. Vanaf eind
jaren zestig worden Aaron Beck (zie foto) en Albert Ellis beschouwd als de
grondleggers van deze therapievorm, hoewel vroege vormen van cognitieve therapie
al in de oudheid zijn beschreven. In deze therapie wordt geprobeerd om de (tot
dan toe grotendeels automatische) manieren van informatieselectie en
interpretatie bewust te laten worden, en deze te beïnvloeden door kritische
reflectie en toetsing aan de werkelijkheid. Het uiteindelijk doel is meestal een
verandering op het niveau van schema's. Dit zijn georganiseerde
'kennisbestanden' en bevatten gegeneraliseerde kennis over de wereld, over de
persoon zelf en over de interactie tussen de persoon en de buitenwereld. De
therapeut stelt zich doorgaans steunend, empatisch en actief op en probeert
samen met de cliënt een soort team te vormen, dat zich laat vergelijken met een
team van onderzoekers dat een bepaalde theorie aan een kritisch onderzoek
onderwerpt (A. Beck e.a., 1979). Alleen bij de rationeel-emotieve therapie (RET)
van Ellis neemt de therapeut een meer confronterende en soms 'betogende' houding
aan. Therapeuten uit de school van Beck maken meer gebruik van de 'Socratische
dialoog'. Dit is een manier van doorvragen die de cliënt ertoe brengt zich
bewust te worden van de manier waarop hij redeneert en van de vertekeningen die
hij daarmee teweegbrengt. De therapeut stimuleert de cliënt zelf tot nieuwe
inzichten te komen. In vergelijking met RET speelt in deze theorie het toetsen
van opvattingen van de cliënt aan de realiteit een grotere rol. De cognitieve
therapie gebruikt ook zogenaamde gedragsexperimenten, waarmee de cliënt door
zich op een specifieke manier te gedragen, test of zijn voorspellingen uitkomen
of niet. Op deze wijze verkrijgt hij door ervaring informatie over de
houdbaarheid van oude en nieuwe opvattingen.De laatste jaren zijn er
gespecialiseerde vormen van cognitieve therapie ontwikkeld voor talloze
stoornissen, zoals depressie, de verschillende angststoornissen, verslaving,
psychotische stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. Deze therapieën, die op
specifieke stoornissen zijn toegesneden, behoren tot de meest effectieve
psychotherapeutische behandelingsvormen. Cognitieve therapie wordt ook vaak
succesvol gecombineerd met gedragstherapie en wordt dan 'cognitieve
gedragstherapie' genoemd. Behandelmethoden zijn onder andere: de rationale,
cognitief handboek, de Socratische dialoog en de geleide ontdekking,
experimenten en assumpties expliciteren.
cognitieve triade (cognitive triade)
Bij depressieve stoornissen zou het denken gepreoccupeerd zijn met verlies- en
hopeloosheidsgedachten. De schema's die aan depressie ten grondslag liggen - de
depressogene schema's - kenmerken zich volgens Beck door ideeën over eigen
waardeloosheid en schuld(1), over onrechtvaardigheid en liefdeloosheid van de
wereld en andere mensen (2) en over de hopeloosheid van de toekomst (3) (A. Beck,1976).
cognitieve vermijdingshypothese (cognitive avoiding hypothesis)
Dit is de veronderstelling dat angstigen weliswaar in eerste instantie hun
aandacht richten op bedreigende informatie, maar dat ze daarna deze informatie
juist plegen te vermijden zodra ze niet al te angstig worden (A. Mathews, 1993).
Cognition Check-list (~)
Meetinstrument voor depressieve cognities (A. Beck e.a., 1987).
Cognitive Assessment of Voices: interview schedule (~)
Meetinstrument voor het opsporen van psychotische symptomen (P.D.J. Chadwick &
M.J. Birchwood, 1994)
cognitivisme (cognitivism)
Stroming binnen de psychologie die de menselijke geest opvat als een
informatieverwerkend systeem en vervolgens modellen construeert en evalueert
over de aard van de mentale processen die bij de informatieverwerking betrokken
zijn.
Cohen's Kappa (Cohens Kappa)
Maat voor overeenstemming tussen twee of meerdere observatoren.
compensatoire responsen (compensatory responses)
Term uit de klassieke conditioneringstheorie en speciaal van belang bij het
veelvuldig gebruik en verslaving van drugs en alcohol.
Voorbeeld 1. Als iemand zich elke dag in zijn stamkroeg bedrinkt, wordt de
stamkroeg na verloop van tijd een betrouwbare voorspeller van alcohol inname.
Zodra die voorspeller zich aandient, neemt het lichaam van de drinker
voorzorgsmaatregelen. De drinker bereid zich op de alcohol voor door
anticipatief te reageren met een stijging van de kerntemperatuur. Daarmee
corrigeert de drinker bij voorbaat voor de verwachte temperatuurdaling. De
stamkroeg (cue) die systematisch gepaard gaat met de inname van alcohol, ontlokt
aan de drinker 'voorbereidende compensatoire responsen'. De cues zijn
geconditioneerde stimuli (CS's) geworden die de ongeconditioneerde stimulus (de
inname van alcohol; UCS) voorspellen en daarom aan de drinker klassiek
geconditioneerde reacties (CR's of cue-activiteit) ontlokken.
Voorbeeld 2. Ongeveer 1 procent van de heroïnejunks spuit zich jaarlijks dood.
De theorie doet vermoeden dat de effecten van heroïne onvoldoende gecompenseerd
werden door antagonistische reacties op cues. Dat dit een aannemelijk verklaring
is, blijkt uit verhalen van junks die het overleefd hebben: zij melden dat de
bijna dodelijk dosis eerder wel werd getolereerd, maar dat zij nu hadden
gebruikt in situaties waarin zelden of nooit eerder hadden gespoten en misten zo
waarschijnlijk de compensatoire responsen vooraf.
Voorbeeld 3. Toediening van adrenaline leidt gewoonlijk tot een versnelling van
de hartslag. Hondje die een reeks adrenaline-injecties kregen, reageerden na
klassieke conditionering met een daling van de hartslag op een placebo-injectie.
competitie van cues (competition of cues)
Hiermee wordt bedoeld dat er tussen informatiestromen van verschillende bronnen
altijd een zekere 'strijd' gaande is om de
beschikbare verwerkingscapaciteit in de hersenen.
conatieve functie (conative function)
Dit is de handelende functie zoals we die kennen in het gedrag van mensen. Naast
de conatieve functie kunnen we de affectieve functie (gevoelens) en cognitieve
functies (weten en kennen) onderscheiden.
conceptually-driven processing (conceptually-driven processing)
Als zintuiglijke informatie in verband gebracht wordt met fysieke kenmerken
bijvoorbeeld visuele, auditieve en somatosensorische informatie. Deze
geheugenopslag lijkt een exacte weergave te zijn van de informatie zoals de
zintuigen dat hebben doorgegeven. Dit hangt samen met
conceptually-driven-processing. Want hoe meer data-driven verwerking hoe minder
conceptually-driven verwerking en vice versa (H.L. Roediger, 1990).
conditioneren (conditioning)
Een eenvoudige vorm van leren, waarbij het organisme een associatie maakt tussen
een stimulus en een respons. De term wordt zowel gebruikt voor het leerproces
zelf als voor de experimentele procedure, waarmee onderzoek gedaan wordt naar
deze leervorm. Er worden twee vormen van conditioneren onderscheiden:
1. Bij het klassiek conditioneren leert het organisme reflexmatig te reageren op
een stimulus die oorspronkelijk (van nature) geen reactie teweegbrengt. Dit lukt
door deze stimulus tegelijkertijd aan te bieden met een prikkel waar het
organisme wel 'automatisch' op reageert. Klassiek conditioneren wordt ook wel
Pavloviaanse conditionering genoemd vanwege het feit dat Ivan Pavlov deze vorm
van leren als eerste onderzocht. Andere benamingen zijn: respondente en type
S-conditionering.
2. Bij operante conditionering wordt het van nature voorkomend gedrag van het
organisme beloond of bestraft en daardoor zal dit gedrag meer of minder gaan
optreden
(bekrachtiging). De operante conditionering is een hogere vorm van leergedrag
dan de klassieke conditionering. Het betreft gedeeltelijk ook willekeurige
reacties, terwijl klassieke conditionering reflexmatige reacties aanleert.
Andere benamingen voor operante conditionering zijn Skinneriaanse, instrumentele
en type R-conditionering.
conditioneren, interoceptief (conditioning, interoceptive)
Een speciale vorm van klassiek conditioneren. Hierbij wordt de werking van de
interne organen van de mens, zoals het hart, de ingewanden en de bloedvaten,
onder controle gebracht van externe stimuli. Dit is natuurlijk slechts tot op
zekere hoogte mogelijk.
congruentie (congruency)
Congruentie tussen zelfbeeld en ervaringen is een voorwaarde voor 'psychische
gezondheid' en voor een ontwikkeling in de richting van zelfverwezenlijking.
connotatie (connotation)
De bijbetekenis die een woord heeft naast de eigenlijke betekenis. Meestal wordt
het begrip gebruikt om verwijzingen van emotionele aard aan te geven. De term is
afkomstig van de Britse filosoof J.S. Mill die connotatie onderscheidde van
denotatie.
conservatie principe (conservation principle)
Het verstandelijke besef dat sommige eigenschappen van voorwerpen of personen
onveranderd blijven, ondanks de uiterlijke schijn van het tegendeel. Dit begrip
speelt een belangrijke rol in ontwikkelingstheorie van Jean Piaget en wordt
volgens hem verkregen rond de leeftijd van zeven jaar. Voor deze tijd denken
kinderen bijvoorbeeld dat zes damstenen die verder uit elkaar liggen dan zes
stenen die dicht bij elkaar liggen, er meer zijn. Evenzo geloven zij dat water
dat uit een hoog, smal glas in een breed glas wordt gegoten, minder wordt. Het
waterpeil staat immers in het brede glas minder hoog.
coping (~)
Coping is de wijze waarop we als mensen omgaan met problemen in onze omgeving.
Coping speelt een belangrijke rol in het stress en burnoutproces en heeft ook
een belangrijke functie bij terugvalpreventie. Of deze problemen nu ontstaan in
een ontspannen of stressvolle situatie is eigenlijk niet van belang, het gaat om
het gedrag voortkomend uit en door probleemsituaties. Het begrip coping is
ontstaan in de klinische psychologie. Vanuit een psyhoanalytisch gezichtspunt is
onderzocht hoe mensen op bedreigingen vanuit zichzelf reageren. Copinggedrag is
in belangrijke mate onafhankelijk van de situatie en van het soort dreiging, en
verandert niet of nauwelijks in de tijd. Coping moet gezien worden als een
voortdurend ondernemen van cognitieve en gedragsinspanningen om aan de eisen van
de buitenwereld tegemoet te komen, of om de eisen die men aan zichzelf stelt.
Coping heeft ook betrekking op iemands emotionele verwerkingsvermogen, het
beheersen van de emotionele reacties, waarbij het meer gaat om contactuele en
sociale eigenschappen. In Nederland wordt vaak gebruik gemaakt van de Utrechtse
Coping List (UCL), hierin worden 7 stijlen gedefinieerd. Om coping duidelijk uit
te kunnen leggen beperkt het zich hier in vier stijlen. Deze stijlen zijn erg
verschillend en worden in principe door ieder mens (effectief of ineffectief)
toegepast, afhankelijk van de situatie. De vier stijlen zijn: actief aanpakken,
sociale steun zoeken, vermijden en afwachten, afleiding zoeken. In een schema
wordt dit verder in categorieën onderverdeeld zoals: rationeel emotioneel,
vechtmechanisme(fight), actief aanpakken sociale steun zoeken, vluchtmechanisme(flight)
vermijden en afwachten afleiding zoeken.
copingsgedrag (coping behaviour)
Ook adaptieve aanpassing. De manier waarop een individu een stressvolle situatie
het hoofd probeert te bieden, bijvoorbeeld door deze situatie zelf te
veranderen, zich te ontspannen of anders tegen de situatie aan te kijken. Men
kan twee categorieën van coping onderscheiden: probleemgerichte stresshantering
en emotiegerichte stresshantering. Daarnaast kan nog worden gewerkt aan sociale
ondersteuning een mengvorm van beide categorieën (R.S. Lazarus & S. Folkman,
1984).
covariatiemodel (covariation-model)
Attributietheorie waarin wordt gesteld dat effecten worden geattribueerd aan die
omstandigheden die aanwezig zijn als het effect aanwezig is, en die afwezig zijn
als het effect afwezig is. Drie belangrijke factoren zijn: distinctiviteit,
concensus en consistentie (H. Kelley, 1967).
covariatieprincipe (covariation principle)
Volgens dit principe wordt een effect geattribueerd aan die omstandigheid die
aanwezig is wanneer het effect aanwezig is en die afwezig is wanneer het
betreffende effect afwezig is.
cues (~)
Nonverbale aanwijzigingen, signalen of objecten voor mensen, gepaard gaande met
een positieve of negatieve gevoelswaarde, waarbij het ontstaan vaak samenhangt
met geconditioneerde leerervaringen. In negatieve zin ontstaan cues zoals bij
gokken, drugs en alcohol maar ook kunnen negatieve cues ontstaan op het werk of
op school waar een persoon het bijvoorbeeld niet meer naar zijn zin heeft. Een
positieve cue is bijvoorbeeld een plaats waar men zich veilig voelt zoals thuis,
op een bekende vakantiebestemming of in het ouderlijk huis.
- D -
data-driven processing (~)
Als zintuiglijke informatie in verband gebracht wordt met fysieke kenmerken
bijvoorbeeld visuele, auditieve en somatosensorische informatie.
Deze geheugenopslag lijkt een exacte weergave te zijn van de informatie zoals de
zintuigen dat hebben doorgegeven. Dit hangt samen met
conceptually-driven-processing. Want hoe meer data-driven verwerking hoe minder
conceptually-driven verwerking en vice versa (H.L. Roediger, 1990).
denkfouten (mental errors)
Selectieve interpretatie kunnen leiden tot forse vertekeningen van de
oorspronkelijke informatie, we noemen dit ook wel denkfouten. Het aantal
mogelijke denkfouten lijkt haast onuitputtelijk. Een aantal van de belangrijkste
zijn: willekeurige gevolgtrekking, selectieve obstructie, overgeneralisatie,
personalisatie, absoluut dichotoom denken, emotioneel redeneren.
depressieve stoornis (depressive disorders)
De depressieve stoornis valt onder de DSM-IV-classificatie van
stemmingsstoornissen. De hoofdcategorie stemmingsstoornissen van DSM-IV bestaat
uit drie klassen: depressieve stoornissen, bipolaire stoornissen en overige
stemmingsstoornissen.
In de DSM-IV wordt de term 'depressieve stoornis(sen)' in twee betekenissen
gebruikt. Ten eerste verwijst de term naar een klasse van stemmingsstoornissen.
In deze betekenis vormen depressieve stoornissen een klasse naast de bipolaire
stoornissen en de overige stemmingsstoornissen. Ten tweede wordt de term, wat
heel verwarrend is, ook gebruikt om binnen de depressieve stoornissen (Eng:
depressive disorders) een bepaalde stoornis aan te duiden, namelijk de
depressieve stoornis ('major depressive disorder') of 'depressie in engere zin'.
Kenmerkend voor een depressie (in engere zin) stoornis is dat de patiënt één of
meer depressieve episoden heeft meegemaakt, terwijl er daarnaast geen manische
of hypomane episoden zijn voorgevallen. Kernsymptomen van een depressieve
episode zijn een depressieve stemming en verlies van interesse. Tijdens een
depressieve episode hebben patiënten er doorgaans ook veel moeite mee om taken
te beginnen en af te ronden. Andere karakteristieke symptomen zijn een
duidelijke afname of toename in gewicht of eetlust, slaapklachten,
psychomotorische remming of agitatie, moeheid of een gebrek aan energie, zich
waardeloos of schuldig voelen, concentratieproblemen, besluiteloosheid en
doodgedachten.
Een depressieve stoornis kan op alle leeftijden ontstaan. Bij mensen die een
depressieve episode hebben doorgemaakt, is de kans op herhaling van een
dergelijke episode aanmerkelijk, en die kans neemt toe naarmate zij meer
depressieve episoden hebben gekend. Personen zonder intieme banden, gescheiden
mensen en verweduwden lopen een grotere kans om de stoornis te krijgen. Soms
ontwikkelt een depressieve stoornis zich geleidelijk, maar het is ook mogelijk
dat zij vrij plotseling ontstaat, vaak na het optreden van één of meer
stressveroorzakende gebeurtenissen. De 'stressoren' hebben dikwijls een zeker
verlieskarakter.
De DSM-IV diagnostische criteria voor een depressieve stoornis zijn:
1. Er is sprake van een depressieve episode.
2. De symptomen zijn niet eerder toe te schrijven aan een schizoaffectieve
stoornis en zijn niet gesuperponeerd op een andere psychotische stoornis.
3. Er is nooit een manische gemengde of hypomane episode geweest..
Wanneer een patiënt 'slechts' eenmaal een depressieve episode heeft doorgemaakt,
spreekt men van een 'depressieve stoornis, eenmalige episode'. Zijn er in het
verleden meerdere depressieve episoden geweest, dan luidt de diagnose
'depressieve stoornis, recidiverend'. De depressieve stoornis is een ernstige
stoornis, zoals blijkt uit de bevindingen dat meer dan 15 procent van de
patiënten overlijdt door suïcide (APA, 1994; H.T. van der Molen e.a., 1997).
depressogene schema's (depressogene schemas)
De schema's die aan een depressie ten grondslag liggen en kenmerken zich volgens
Aaron Beck door ideeën over eigen waardeloosheid en schuld, over de
onrechtvaardigheid en liefdeloosheid van de wereld en andere mensen, en over de
hopeloosheid van de toekomst (de zogenaamde 'cognitieve triade').
divergent denken (divergent thinking)
Het genereren van nieuwe oplossingen voor gestelde problemen; creativiteit.
doelgericht gedrag (target directed behaviour)
Gedrag waarbij sprake is van een motivationele intentie. Het doel en gedrag zijn
beide van belang en laten zich verbinden door de belangrijkheid van het doel om
tot dit (doelgericht)gedrag te komen.
- E -
eigen effectiviteit (self-efficacy)
Dit betreft de inschatting door een persoon van de mate waarin hij of zij
daadwerkelijk in staat zal zijn het beoogde gedrag te vertonen. De inschatting
van eigen effectiviteit lijkt het resultaat van vier factoren: ervaring met het
gedrag, observeren van anderen (zoals in de sociale-leertheorie), overtuiging
door anderen en de waarneming van eigen toestanden (zoals onzekerheid en
nervositeit) (A. Bandura, 1977,1986; I. Ajzen, 1987).
emotiegerichte coping (emotion-focused coping)
Actie van de patiënt gericht op het vermijden van spanningen door ontkenning,
afleiding of het zoeken van sociale steun.
empirisch onderzoek (empirical research)
Onderzoek waarbij men door middel van waarneming vaststelt wat zich in de
werkelijkheid (empirie) afspeelt.
enactment (~)
Onbewuste constellaties van overdracht en tegenoverdracht tussen cliënt en
psychotherapeut.
evaluatie waardebepaling (evaluation valuation)
In het onderwijs betreft de evaluatie, die van groot belang is voor de leerplan
ontwikkeling, zowel onderzoek naar het bereiken van de onderwijsdoelen door de
leerlingen, als onderzoek naar de geschiktheid van leerprocedures of delen ervan
om de onderwijsdoelen te realiseren. Het begrip evaluatie wordt ook in een
bredere context gebruikt.
evaluatieve feedback (evaluative feedback)
Waarderende informatie die een individu over zijn gedrag ontvangt.
exogene beloning (exogenous reward)
Een beloning die geen verband houdt met de aard of de inhoud van de taak (A.W.
Kruglanski).
experimentator bias (~)
Een vertekening die ontstaat doordat tijdens een experimentele test de
verwachtingen van de onderzoeker over de persoon die de test ondergaat een rol
spelen in de uitslag van het experiment.
experimentele groep (experimental group)
Een onderzoeksgroep waarbij de te onderzoeken experimentele test met de
onderzoeksvariabelen wordt uitgevoerd. De controle groep is de groep die
tegelijkertijd meedoet aan de test maar juist niet onderhevig is aan de
onderzoeksvariabelen, zoals bijvoorbeeld een placebo, externe beïnvloeding,
enzovoorts.
experimentele manipulatie (experimental manipulation)
Het scheppen door de onderzoeker van verschillende condities in een experiment
die de onafhankelijke variabelen vormen.
experimentele neurose (experimental neurosis)
De Russische arts Ivan Pavlov deed in de twintiger jaren van de vorige eeuw
belangrijk experimenteel onderzoek met honden. Tijdens dit onderzoek ontdekte
hij dat als de stimuli die hij aanbood van 'eenduidig' overgingen in 'ambigue',
de honden zich zeer nerveus of neurotische begonnen te gedragen. Dit onderzoek
is van belang geweest voor de leertheorie als verklaring voor neurotisch gedrag
bij mensen.
experimentele psychologie (experimental psychology)
Na 1850 raakte men er steeds meer van overtuigd dat psychologische eigenschappen
van mensen zoals intelligentie, bewustzijnservaringen en gedragsfenomenen,
vragen om kwantisering door meting (het experimenteel onderzoek). Het waren F.
Galton, W. Wundt, G. Fechner, H. von Helmholtz die als eersten experimenteel
onderzoek deden, dat van blijvende invloed is geweest op de latere ontwikkeling
van de psychologie.
exploratie (exploration)
Term uit de psychotherapie. Is het onderzoeken van de innerlijke ervaringen van
de patiënt die niet te observeren zijn, zoals zijn stemming, zijn
gedachte-inhoud, oordeelsvorming, enzovoorts.
exposure (~)
Blootstelling aan een angstige situatie. Bij de gedragstherapeutische
behandeling van fobische patiënten vormt de blootstelling aan de gevreesde
situaties (exposure) de kern van de therapie.
exposure in vivo (~)
Blootstelling door de patiënt aan de werkelijke situatie, die spanning en angst
oproept en die de patiënt geneigd is te vermijden.
exposure in vivo met responspreventie (exposure in vivo with response-prevention)
Zie exposure met responspreventie.
exposure met responspreventie (exposure with response-prevention)
Deze vorm van exposure (blootstelling aan de stimulus cue) vindt onder andere
plaats bij behandeling van verslavingen, bulimia nervosa en dwangstoornissen. Na
blootstelling aan de angst oproepende situatie vindt responspreventie plaats om
uitdoving van de respons door de patiënt te bewerkstelligen, door bijvoorbeeld
de eigen dwanghandeling niet uit te voeren. Als de blootstelling 'realistisch'
is spreken we over 'in vivo exposure' anders over 'imaginaire exposure' als de
voorstelling van de angstige situatie in de gedachten van de patiënt wordt
gebruikt. Term uit de cognitieve gedragstherapie.
exposure therapie (exposure therapy)
We onderscheiden twee vormen:
1. Graduele exposure. Hierbij controleert de patiënt de exposure zelf, doordat
hij zelf kan bepalen wanneer hij met een moeilijk item begint (bijvoorbeeld
systematische desensitisatie).
2. Flooding en prolonged exposure in vivo. Hierbij bepaalt de therapeut de mate
en de duur van de exposure (bijvoorbeeld flooding).
Een variant op exposure is exposure met responspreventie. Deze vorm van exposure
vindt onder andere toepassing bij de behandeling van verslavingen, bulimia
nervosa en dwangstoornissen. Het doel is het uitdoven van de respons door de
patiënt te verbieden de eigen handeling uit te voeren.
expressed emotion (expressed emotion)
De mate van negatieve kritiek, vijandigheid en overbetrokkenheid bij interactie
in het gezin. Onderzoek heeft aangetoond dat de mate waarin gezinsleden kritiek
leveren op de patiënt en te sterk betrokken zijn bij de patiënt, het verloop van
schizofrenie beïnvloeden. Een kritische houding en een te sterke emotionele
betrokkenheid bij andere gezinsleden voorspellen een verhoogd risico van
terugval in een psychotische episode voor het schizofrene gezinslid.
externe beheersing (external control)
1. De algemene overtuiging van een individu dat zijn lot grotendeels bepaald
wordt door factoren waar hij geen greep op heeft.
2. Het streven van bedrijven naar het optimaal onder controle houden van de
invloed van externe omgevingsfactoren op het verloop binnen het productieproces.
- F -
fenomenologie (phenomenology)
Fenomeen is verschijnsel. Dit is de studie van verschijnselen of gebeurtenissen
zoals zij gebeuren, zonder daarbij interpretatie van de verschijnselen of
gebeurtenissen plaatsvindt. De eerste die deze opvatting duidelijk woorden heeft
gebracht is Edmund Husserl (1859-1938).
Hij stelde dat filosofische onderzoekingen altijd de processen in het eigen
bewustzijn als uitgangspunt moeten nemen, omdat alleen deze processen een goed
beeld zouden kunnen geven van de essentie van dingen. Het bewustzijn (gevoelens,
herinneringen, stemmingen, gedachten, waarnemingen. enzovoort) moest
systematisch bestudeerd worden. Zeer belangrijk voor Husserl was om het denken
te bevrijden van zoveel mogelijk vooronderstellingen. Iedere theorie zou het
zicht op het ware wezen van dingen belemmeren.
2. Uit deze opvattingen is de fenomenologische psychologie voortgekomen.
Festinger, Leon (~)
(Geb. 1919) Amerikaans psycholoog, hoogleraar aan de Stanford Universiteit.
Festinger is vooral bekend geworden door zijn 'cognitieve dissonantietheorie' en
auteur van "Conflict, decision and dissonance" (1964).
flooding (~)
Een methode van angstreductie bij gedragstherapie. Bij flooding wordt de patiënt
volledig en langdurig aan de meest gevreesde stimulus blootgesteld, totdat de
patiënt geen angst meer vertoont. Iemand met hoogtevrees moet bijvoorbeeld (in
gedachten of in werkelijkheid) meteen op de bovenste verdieping van een hoge
flat gaan staan. Hoewel flooding effectief is wordt in de praktijk meestal
gekozen voor meer geleidelijke vormen van exposure-therapie zoals bijvoorbeeld
'systematische desensitisatie'.
focused interview (~)
Gestructureerd interview waarmee getracht wordt van een kandidaat meer
duidelijkheid te krijgen over de achtergronden van het handelen en de belevingen
bij de uitvoering van gedragsproeven.
Freud, Sigmund (~)
(1856 - 1939) Oostenrijks neuroloog en psychiater, grondlegger van de
psychoanalyse, woonde van 1860 tot 1938 te Wenen, waar hij geneeskunde
studeerde. Onder Ernst von Brücke deed hij fysiologische onderzoekingen, later
werkte hij onder Meynert op neuro-anatomisch gebied. In 1885 werd hij
privaatdocent in de neuropathologie. Hij leverde belangrijke bijdragen tot de
neuropathologie, onder andere een studie over afasie en een verhandeling over de
kinderverlamming in "Nothnagels Handbuch der allgemeinen und speziellen
Therapie". In 1884 publiceerde hij een artikel over de verdovende eigenschappen
van cocaïne, welke studie voor Karl Koller het uitgangspunt zou zijn voor zijn
ontdekking van de plaatselijke verdoving in de oogheelkunde en de chirurgie.
Een studiereis naar Parijs (1886-1887), waar hij onder de bekende neuroloog Jean
Martin Charcot in de Salpétrière werkte, werd een beslissend keerpunt in zijn
leven. Bij Charcot leerde hij de psychische oorsprong van de neurose, vooral de
hysterie, kennen. In 1886, het jaar van zijn huwelijk, vestigde Freud zich als
zenuwarts te Wenen. Reeds voor zijn reis naar Parijs had hij kennisgemaakt met
de Weense medicus Josef Breuer, die zich in 1880-1882 al een diep inzicht in de
betekenis van hysterische symptomen had verworven. In 1887 ontstond een nauwe
samenwerking, waaruit in 1895 het met Breuer samen geschreven boek "Studien über
Hysterie" resulteerde. De toegepaste behandeling werd onder de naam 'psycho-katharsis'
beschreven. De betekenis van het onbewuste zielenleven was ontdekt. Enkele jaren
later kwam het tot een breuk met Breuer, die Freuds opvattingen over de
betekenis van de seksualiteit in de etiologie van de neurosen niet kon delen.
Geruime tijd ging Freud daarop alleen zijn weg. Bekend is zijn beschrijving van
de angstneurose als ziektebeeld. De grondslagen voor de later 'psychoanalyse'
genoemde leer werden gelegd. Weerstand en verdringing werden ontdekt. Zij
behoren tot de fundamenten van de neurosenleer. De belangrijkste
werkingsprincipes daarvan heeft Freud in het klassiek geworden werk "Die
Traumdeutung" (1900) neergelegd. Eveneens van grote betekenis werden de "Drei
Abhandlungen zur Sexualtheorie" (1905; een studie over seksuele aberraties).
De belangstelling voor Freuds werk werd geleidelijk groter. In 1902 werd Freud
buitengewoon hoogleraar te Wenen. In 1908 sloten Eugen Bleuler en Carl Gustav
Jung zich bij hem aan. In 1910 werd een internationale psychoanalytische
vereniging opgericht. In 1912 verscheen "Totem und Tabu". Hier trad Freud voor
het eerst buiten eigenlijk medisch terrein. In 1911-1913 distantieerden Jung en
Alfred Adler zich van de psychoanalyse, kort daarop W. Stekel. Met onverminderde
kracht zetten Freud en zijn medewerkers het onderzoek voort. Als gevolg van de
Anschluss moest Freud in 1938 uitwijken naar het buitenland, waar hij zich in
Londen vestigde. Freuds leven en werken worden gekenmerkt door een gestaag
volhouden, waarbij hij vaak felle kritiek en grote tegenstand ondervond, maar
ook bewijzen van bijzondere erkenning kreeg, vooral in zijn latere jaren. Zijn
persoonlijke leven, vooral ook in zijn gezin, was harmonieus. Zijn werkkracht
bleef onverminderd ondanks het toenemend lichamelijk lijden gedurende de laatste
zestien jaar van zijn leven door kaakcarcinoom, waarvoor hij 33 operaties heeft
ondergaan. Zijn taal en stijl munten uit door helderheid en vrij gemakkelijke
leesbaarheid.
Zeker reeds vanaf het begin der jaren dertig bleek Freuds betekenis voor en zijn
invloed op de cultuur groot en onontkoombaar. Vooral de literatuur en de meeste
zogenaamde geesteswetenschappen zijn zonder de psychoanalytische denkwijzen niet
meer denkbaar. Met name door zijn dieptepsychologische ontdekkingen is nader
inzicht mogelijk geworden op het gebied van de persoonlijkheidsleer, de
neurosenleer, de perversies en in tal van sociaal-psychologische verschijnselen.
Steeds was hij weer in staat tot revisie van zijn vroegere denkbeelden, getuige
het feit dat hij veel minder dogmatisch was dan sommige van zijn leerlingen.
Freud's werken: "Zur Psychopathologie des Alltagslebens" (1901); "Vorlesungen
zur Einführung in die Psychoanalyse" (1917, 1921); "Jenseits des Lustprinzips"
(1920); "Massenpsychologie und Ich-Analyse" (1921); "Das Ich und das Es" (1923);
"Hemmung, Symptom und Angst" (1926); "Die Zukunft einer Illusion" (1927); "Das
Unbehagen in der Kultur" (1930); "Neue Folge der Vorlesungen zur Einführung in
die Psychoanalyse" (1933); "Selbstdarstellung" (1936); "Der Mann Moses und die
monotheistische Religion" (1939).
Fromm, Erich (~)
(1900-1980) In Duitsland geboren Amerikaans psychoanalist en sociaalfilosoof die
de invloed tussen psychologie en de maatschappij onderzocht. Door het toepassen
van psychoanalytische principes als een middel tegen cultuurziekten, geloofde
Fromm dat de mens een psychologisch uitgebalanceerde 'geestelijk gezonde
maatschappij' kon ontwikkelen.
Nadat hij in 1922 zijn doctoraal filosofie aan de universiteit van Heidelberg
had gedaan, ging Fromm zich bekwamen in de psychoanalyse aan de Universiteit van
München en bij het Psychoanalytisch Instituut in Berlijn. Hij begon met de
toepassing van de psychoanalyse volgens Sigmund Freud maar nam hier spoedig
afstand van, mede door Freud's eenzijdige belangstelling voor onbewuste driften
en het consequent negeren van de rol van sociale factoren in de psychologie.
Voor Fromm, was de persoonlijkheid een product van iemands cultuur en biologie.
Hij had reeds een opvallende reputatie als psychoanalist opgebouwd, toen hij in
1933 Nazi Duitsland verliet om naar Amerika te vertrekken. Daar kwam hij in
conflict met kringen van behoudende Freudiaanse psychoanalytici. Van 1934 tot
1941 werkte Fromm aan de faculteit van de Columbia Universiteit, waar zijn
inzichten steeds meer omstreden werden. In 1941 was hij lid van de faculteit van
Bennington College in Vermont en in 1951 werd hij als professor psychoanalyse
benoemd aan de Universidad Nacional Autónoma de México, Mexico City. Van 1957
tot 1961 was hij gelijktijdig professor aan de Michigan State universiteit, East
Lansing en tenslotte keerde hij in 1962 terug naar New York als professor
psychiatrie aan de New York universiteit. In verschillende boeken en
geschriften, als eerste zijn werk van 1930 over de ontwikkeling van de
Christelijke doctrine en symbolisme, introduceerde Fromm het inzicht dat voor
het begrijpen van de basisbehoefte van de mens, het noodzakelijk is de mens en
zijn gemeenschap zelf te begrijpen. Fromm stelde dat sociale systemen het
moeilijk maken, zo niet onmogelijk de verschillende behoefte te gelijkertijd te
bevredigen, waardoor zowel persoonlijke als meer omvattende sociale conflicten
ontstaan. In Fromm's eerste belangrijke werk, "Escape from Freedom" (1941),
bracht hij de groei van de menselijk vrijheid en zelfbewustzijn, van de
Middeleeuwen tot de moderne tijd, in kaart en gebruikte analytische technieken
om de tendens van de moderne geëmancipeerde mens aan te geven, om te vluchten
voor zijn onzekerheden, zoals de overgang naar een totalitair systeem zoals het
Nazisme. In de "Sane Society" (1955), introduceerde Fromm het argument dat de
moderne mens zich vervreemd en verwijderd van zichzelf, door de
consumentgerichte industriële maatschappij. Fromm riep op tot een wedergeboorte
van de Verlichting, zoals een nieuwe perfecte gemeenschap waarin elke persoon
zijn persoonlijke behoefte kon bevredigen met behoud van gevoel en bindingen van
sociaal broederschap. Fromm's volumineuze werken van de menselijk natuur, ethiek
en liefde trok de interesse van sociale wetenschappers en van een breed publiek
van lezers.
Hij schreef ook boeken met kritiek en analyses van het Freudiaanse en
Marxistische gedachtegoed, over psychoanalyse, en het geloof. Andere boeken van
hem zijn: "Man for Himself" (1947), "Psychoanalysis and Religion" (1950), "The
Art of Loving" (1956), "May Man Prevail? " (1961,met D.T. Suzuki en R. De
Martino), "Beyond the Chains of Illusion" (1962), "The Revolution of Hope"
(1968), en "The Crisis of Psychoanalysis" (1970).
fully-functioning person (~)
Term van Carl Rogers. Hij sprak van een 'volledig functionerend mens' als
zelfbeeld en zelfideaal samenvallen. Doordat de persoon is opgegroeid met
onvoorwaardelijke positieve waardering, voelt hij zich geheel geaccepteerd zoals
hij is. Er is ook sprake van zelfaanvaarding. Hij kan zich vrij, congruent,
verder ontplooien
functionele analyse (functional analysis)
Term uit de gedragstherapie. De cliënt wordt geïnstrueerd meer naar zijn eigen
gedrag te kijken en per situatie of gebeurtenis waarover hij niet tevreden is
een beschrijving te geven van wat er precies is voorgevallen.
- G -
gedachte onttrekking (thoughts withdrawal)
Zoals de schizofrene of psychotische patiënt meent dat gedachten uit zijn hoofd
worden gehaald.
gedachte uitzending (thoughts radiation)
Zo heeft de schizofrene of psychotische patiënt het idee dat anderen zijn
gedachten kunnen opvangen.
gedachteblokkade (obstruction of thought)
Als een patiënt zonder aanleiding ineens kwijt is waarover hij aan het denken
was.
gedachtenexperiment (experiment of thoughts)
1. Ook wel imaginatie-experiment. Indien men een situatie die in de werkelijk
niet is na te bootsen (of zich beter niet laat nabootsen) kan men wel in
gedachten de situatie oproepen en we noemen dit een gedachtenexperiment. In de
cognitieve therapie wordt dit bijvoorbeeld gebruikt om bij een patiënt met Post
Traumatische Stress (PTSS) op een veilige plaats, onder begeleiding van een
cognitief therapeut gevraagd de gewraakte stresssituatie op te roepen. De
functie hiervan is om op deze manier de gevoelens 'op nieuw' te beleven en
gevoelens van stress en angst te verminderen.
2. In algemene zin in het gedachtenexperiment interessant om het
voorstellingvermogen van mensen te prikkelen bijvoorbeeld in het onderwijs of in
andere leersituaties.
gedrag (behaviour)
In het gewone taal gebruik wordt onder gedrag verstaan het uitwendig,
constateerbaar handelen. In de psychologie verstaan we tegenwoordig onder
gedrag: 'Een betekenisvolle reactie op een betekenisvolle situatie' (J.W.G.
Orlemans, e.a.,1997). De term 'betekenisvol' onderscheidt het gedrag van
andersoortige reacties op stimuli zoals de kniepeesreflex of de spijsvertering.
Betekenisvol geeft aan dat het gaat om de cognitieve verwerking (bewust en
onbewust) in plaats van het louter reageren op een fysieke stimuli. Het gedrag
van levende organismen kan in zijn algemeenheid beschouwd worden als een zeer
complex gebeuren, doordat het gedrag onderhevig is aan een ingewikkelde
combinatie van erfelijke aanleg, biologische behoeften en leren. De studie naar
het gedrag van mensen is het object van de psychologie.
gedragsbeoordelingsinstrument (behaviour assessment instrument)
Afgekort: GBI (A.W. Vermeul-van Mullem, 1975). Psychologische gedragstest.
Populatie: jongens van 9 t/m 12 jaar in leefgroepsituaties, voornamelijk
lbo-niveau. Meetpretentie: beoordeling van sociaalprobleemgedrag, ondersteuning
van diagnostische en interactieprocessen. Afname: individueel. De
obeservatieschaal bestaat uit 120 zevenpuntsschalen waarop de beoordelaar steeds
een gedragsaspect van de jeugdige moet scoren. De schalen vormen samen 10 min of
meer geïntercorreleerde gedragspatronen (gebaseerd op voorlopige patronen van
Stott). Het aantal gedragingen (schalen) per persoon varieert van 5 tot 16. De
schaal heeft een communicatieve, een in-service-training, een diagnostische, een
evaluatieve, een research- en een opleidingsfunctie. Het verkorte GBI bestaat
uit 24 schalen en dient onder meer als selectie-instrument voor beoordeling met
het volledige GBI. COTAN beoordeling (1982): betrouwbaarheid: voldoende;
begripsvaliditeit: voldoende; criteriumvaliditeit: onvoldoende (A. Evers e.a.,
2000).
gedragsgenetica (behavioural genetics)
Concentreert zich op onderzoek naar de invloed van de erfelijke aanleg op
gedrag.
gedragsmodificatie (behaviour modification)
Toepassing van het behaviorisme waarbij ongewenst gedrag via
reinforcement-principe wordt omgezet in gewenst gedrag.
gedragsobservatie (observation of behaviour)
Is een diagnostische methode waarbij meer of minder systematische waarnemingen
worden gedaan van gedragingen van cliënten. Er zijn diverse soorten
gedragsobservaties, die van elkaar kunnen verschillen in 'wie' de observator is,
'waar' de observaties plaatsvinden, 'wat' geobserveerd wordt en 'hoe' de
observaties worden uitgevoerd.
Gedragsobservatie voor Intramurale Psychogeriatrie (~)
Afgekort: GIP. Gedragsobservatiebeoordelingsschaal. De GIP laat onderscheid toe
tussen drie basale syndromen: cognitie-hyporeactiviteit, cognitieontremming en
stemming ( P.F.J. Verstraten & C.W.J.M. van Eekelen, 1987).
gedragsproeven (behaviour tests)
Psychologische tests waarbij men concreet gedrag bij personen wil oproepen om
dit vervolgens te beoordelen aan de hand van vooraf opgestelde criteria. Het
gedrag wordt uitgelokt door kandidaten te confronteren met nagebootste
praktijksituaties.
gedragsstoornissen (behaviour disorders)
1. Kinderen die zich storend, impulsief of agressief gedragen, zijn niet
noodzakelijk gedragsgestoord. Men kan maar spreken van een gedragsstoornis
wanneer er sprake is van een zich herhalend en aanhoudend gedragspatroon bij
kinderen, waarbij sociale regels en normen worden overtreden. Enkele symptomen
zijn: pesten, vechten, stelen, liegen, brand stichten, van huis weglopen,
spijbelen, inbreken, enzovoorts. Kinderen met gedragsstoornissen zijn meestal
niet in staat om positieve relaties te onderhouden met andere kinderen en met
volwassenen. Nogal vaak hebben ze een lager IQ en presteren ze op school
ondermaats. Hyperactiviteit en aandachtsstoornissen komen frequent voor bij
gedragsgestoorde kinderen.
Bij gedragsstoornissen onderscheidt men de gedragsstoornis in engere zin (of 'conduct
disorder') en het oppositioneel-opstandig gedrag. Deze laatste kan als voorloper
gezien worden van de conduct disorder. Het aantal kinderen en jongeren met
antisociaal gedrag wordt in West Europa geschat op zo'n 4 tot 10 procent van een
populatie. Daarmee is het de meest voorkomende psychische problematiek bij
kinderen en adolescenten. Gedragsstoornissen komen meer voor bij jongens dan bij
meisjes en vaker bij kinderen van ouders uit lagere sociaal-economische klassen.
Antisociale gedragsstoornissen blijken ook vaker voor te komen in stedelijke
gebieden dan op het platteland. Verder blijken deze stoornissen in onze westerse
samenleving toe te nemen. Kinderen met een antisociale gedragsstoornis hebben
zeer vaak ook psychiatrische stoornissen in de volwassenheid, vooral antisociale
persoonlijkheidsstoornis. De diagnose van een gedragsstoornis wordt vaak gesteld
via de criteria van de psychiatrische classificatie DSM-IV.
2. Bij gedragsstoornissen op latere leeftijd, zoals in de volwassenheid, kan er
sprake zijn van gedragsstoornissen die samenhangen
met de persoonlijkheid of andere oorzaken zoals vermeld in het DSM-IV
diagnostisch handboek.
3. Indien een persoon geestelijke - of lichamelijke gehandicapt is, wordt veelal
niet mee van gedragsstoornissen gesproken.
gedragstherapie (behaviour therapy)
Een vorm van psychotherapie die sinds het begin van de jaren zestig bestaat.
Uitgangspunt hierbij is dat ongewenst gedrag is aangeleerd en dus ook weer
afgeleerd kan worden. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van eenvoudige
leerprincipes zoals conditioneren. De therapie is geschikt voor een scala van
problemen zoals: angstigheid voor bepaalde situaties (fobie), dwanghandelingen
en slechte gewoonten, zoals roken, bedplassen en veel drinken. Psychische
klachten zijn soms terug te voeren op negatieve ervaringen in iemands verleden.
Door zulke ervaringen kan iemand ook negatieve ideeën over zichzelf krijgen.
Factoren in iemands omgeving zijn ook van invloed op psychische klachten. Als
iemand in omstandigheden verkeert die het hem of haar moeilijk maken bevredigend
te functioneren, kan dat psychische klachten in de hand werken. Het is dan ook
belangrijk om zulke omgevingsfactoren te betrekken in de behandeling. Ook
belangrijke levensgebeurtenissen zoals een geboorte, echtscheiding of sterfgeval
kunnen psychische problemen in gang zetten of verergeren. Soms is het zo dat
psychische klachten of problemen gekoppeld kunnen worden aan een bepaalde
gebeurtenis of situatie. Als u ooit op straat of in de tram in paniek bent
geraakt, kan dat later opnieuw gebeuren als u in dezelfde situatie komt. U heeft
als het ware geleerd om in een bepaalde situatie op een bepaalde manier te
denken of te handelen. Als dat negatieve gevolgen voor u heeft, kunnen ernstige
psychische problemen ontstaan. Het is niet altijd mogelijk om een aanleiding te
vinden voor het ontstaan van de klachten. Ook is het meestal niet mogelijk om de
aanleiding weg te nemen. In gedragstherapie kan een cliënt leren anders om te
gaan met datgene waar hij bang voor is of moeite mee heeft. Met behulp van de
therapie kan men nieuwe, positieve ervaringen opdoen: in een relatie, op het
werk of in contacten met anderen. Daardoor groeit het zelfvertrouwen en
verminderen de klachten. Het voordeel van de behandelwijze is verder dat in
relatief korte tijd goede resultaten geboekt kunnen worden. Belangrijke
therapeutische technieken binnen de gedragstherapie zijn onder andere
systematische desensitisatie, aversietherapie en implosieve therapie (flooding).
gedragsvoorstelling (behaviour representation)
Een beschrijvingswijze van de productieorganisatie die de belangrijkste
processen en gebeurtenissen in de organisatie dynamisch weergeeft.
gedragsvormen (models of behaviour)
Een haast onuitputtelijk hoeveelheid van gedragsvormen kan men bij mensen
onderscheiden. Hier als voorbeeld G. Hellinga (1979) die aan het werk van Adler
drie pathologische gedragsvormen ontleent:
1. Vermijdend type, iemand die telkens maar weer verantwoordelijkheden uit de
weg gaat. Met dergelijke mensen is nauwelijks contact te krijgen. Ze zijn ook
niet in staat tot het aangaan van stabiele (liefde)relaties.
2. Nemende type, het levensdoel dat deze mensen nastreven is veiligheid en
zekerheid verwerven door manipuleren van anderen, waarbij alles van die anderen
moet komen. Er wordt niets tegenovergesteld. Adler was van mening dat kinderen
die in hun jeugd te veel verwend zijn, een grote kans hebben om tot het nemende
type uit te groeien.
3. Heersende type, zijn mensen die geneigd zijn overal een gevecht van te maken.
Overcompensatie van reële of vermeende minderwaardigheid in de vroege jeugd zou
een belangrijke rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van het heersende type.
gedrag, genetisch model (behavior, genetics model)
Dit model is gebaseerd op een eenvoudig additief model waarin de variantie in de
zichtbare kenmerken van een organisme, inclusief vaardigheden en vermogens (het
fenotype) als een optelling wordt beschouwd van de variantie in genetische
kenmerken (het genotype) en van de door de omgeving bepaalde variantie. Dus de
variantie in het fenotype (Vp) wordt begrepen als een optelling van de variantie
in het genotype (Vg) en de variantie in de omgeving (Vo) of Vp = Vg + Vo.
generalisatie (generalization)
Term uit de conditioneringstechniek. De CR (geconditioneerde respons) wordt niet
alleen uitgelokt door de specifieke CS (geconditioneerde stimulus) maar ook door
prikkels die er min of meer op lijken.
generalisatie hypothese (generalization hypothesis)
Hierbij gaat men ervan uit dat mensen op dezelfde wijze functioneren in het werk
als tijdens de vrijetijd activiteiten.
generaliseerbaarheidcoëfficiënt (generalization ability coefficient)
Deze coëfficiënt geeft aan hoe goed je een uitspraak kunt doen over de populatie
als geheel op grond van de getrokken steekproef.
generaliseren (generalization)
Kennis van toepassing verklaren op andere gevallen dan waarbij de kennis
gewonnen werd.
gestaltpsychologie (gestaltpsychology)
Een van oorsprong Duitse psychologieschool, die zich vooral bezighield met
waarnemingsexperimenten. De theoretische basis en vernieuwing van de
Gestaltpsychologie is vooral te danken aan het werk van Max Wertheimer
(1880-1943), Wolfgang Köhler (1887-1967) en Kurt Koffka (1886-1941). De
Gestaltpsychologie kan gezien worden als een belangrijke stroming binnen de
psychologie. Van belang bij deze psychologie is het begrip 'Gestalt'. Er zijn
veel verschillende definities van dit begrip. Volgens de Belg George Lambrechts
(2003) wordt onder 'Gestalt' verstaan: 'Een geïntegreerd geheel van delen, dat
zich in een veld duidelijk aftekent of differentieert onder de vorm van
voorgrond en achtergrond'
Max Wertheimer zocht uit ontevredenheid over een tekort aan nieuwe onderwerpen
binnen de school, naar nieuwe onderzoeksgebieden en vond dit in het
experimenteren met geheugen en waarnemingsdrempels. Hij stootte op het
verschijnsel van het 'negatief nabeeld', vertelde dit aan Koffka die daarna als
eerste in 1915 de principes van de Gestaltpsychologie publiceerde in zijn werk:
"Zur Grundlegung der Wahrnehmungspsychologie". Kurt Köhler had als natuurkundige
gestudeerd bij Max Planck en ontdekte het belangrijke principe dat: 'het geheel
van dingen meer is dan de som der delen'. Hij vroeg zich af of dit principe (wat
voor de natuurkunde gold) ook geldig was bij mensen zoals bij de waarneming. Hij
stelde dat wij als mensen immers ook gehele objecten zoals (een kast in plaats
van losse planken, een boek in plaats van losse bladen) waarnemen. Köhler
schreef hier in 1920 een boek over ("Die psychischen Gestalten in Ruhe und im
stationären Zustand, eine naturphilosophische Untersuchung"), een werk wat van
fundamenteel belang is geweest voor de verdere ontwikkeling van de
Gestaltpsychologie. Door de theorie die Köhler had ontwikkeld werd de
Gestaltpsychologie geschikt gemaakt voor de experimenteermethode bij mensen
(waarnemen en geheugen), in navolging van principes uit de natuurkunde. Toen
Köhler in Duitsland terugkeerde uit het buitenland, was men aan de
psychologiefaculteit van de Universiteit van Berlijn enthousiast over zijn werk,
maar ook dat van Lewin en Wertheimer. Dit resulteerde in veel
Gestaltpsychologisch onderzoek. Köhler in samenwerking met von Restorff ontdekte
bij experimenten aan de Universiteit van Berlijn nog diverse andere
verschijnselen, zoals bijvoorbeeld het 'von Restorff-effect'. Ook Kurt Lewin,
zeer bekend door zijn zeer praktische aanpak binnen de psychologie, werkte in
die tijd samen met Wertheimer in Berlijn. De studie van de Gestaltpsychologie
was een serieus vakgebied geworden binnen de psychologie en men kon spoedig aan
diverse andere universiteiten in Duitsland Gestaltpsychologie studeren. Later
werd o.a. door het Duits echtpaar Perls eerst in Duitsland en Zuid-Afrika, en
later in Amerika de basis gelegd voor de Gestaltpsychotherapie.
- H -
handeling (action)
Term binnen de handelingstheorie waarbij psychische activiteit wordt opgevat als
het uitvoeren van doelgerichte handelingen aan
objecten.
handelingsmogelijkheden (affordances)
Bij motorische ontwikkeling het resultaat en tegelijkertijd het gevolg is van
een zeer specifieke interactie tussen de actiemogelijkheden van het lichaam en
de kenmerken van de omgeving (J.J. Gibson, 1979).
handelingstheorie (action theory)
Opvatting over leren die leren opvat als het verwerven van nieuwe mentale
handelingen onder invloed van instructie. Zie o.a. 'Gibsons handelingstheorie'
en 'cognitieve ontwikkeling, volgens Piaget'.
handelingstructuur (action structure)
De opbouw van de (mentale) handeling die ten grondslag ligt aan een waarneembare
leerprestatie.
holisme (holism)
(Grieks: 'holos' = geheel). Hiermee wordt bedoeld dat de aandacht, bijvoorbeeld
in lichaamstherapie, psychotherapie of vormen van sporttraining gericht wordt op
het geheel, zoals bijvoorbeeld de psychische en lichamelijke aspecten of de
psychische en sociale aspecten van de persoon in kwestie. Vanuit de
tegenwoordige inzichten van de psychologie wordt de mens gezien als een
biopsychosociaal wezen en lijkt een holistische benadering een voor de hand
liggende aanpak om alle dimensies voldoende tot hun recht te laten komen.
Horney, Karin (~)
(1885-1952) In Duitsland geboren Amerikaanse psychoanalyste, die oorspronkelijk
uitging van de basisprincipes van Freud, maar later stelde dat eerder omgeving
en sociale factoren dan biologische drijfveren, van belang zijn voor iemands
persoonlijkheid, en tegelijkertijd een hoofdoorzaak kunnen zijn voor
neuroticisme en persoonlijkheidstoornissen.
Nadat ze in 1912 aan de universiteit van Berlijn als psychologe afstudeerde,
kreeg ze haar psychoanalytische vorming bij Karl Abraham, een collega en vriend
van Sigmund Freud. Ongeveer vanaf 1915 deed ze vijf jaar klinisch werk en werkte
onder andere in Berlijnse ziekenhuizen. Vanaf 1920 tot 1932 had ze haar eigen
praktijk en doceerde aan het Berlijns Psychoanalytisch Instituut. Ze ging daarna
naar de Verenigde Staten om assistent-professor te worden bij het Instituut voor
Psychoanalyse in Chicago. In 1934 vertrok ze naar New York om haar privépraktijk
weer op te pakken en doceerde ze aan de New School for Social Research. Daar
schreef ze haar belangrijkste theoretische werken zoals: "The Neurotic
Personality of Our Time" (1937) en "New Ways in Psychoanalysis" (1939), waarin
ze belangrijke basisprincipes van Freud's psychoanalyse ter discussie stelde,
zoals haar hypothese dat neuroticisme ontstaat 'door verstoring van
intermenselijke relaties'. In het bijzonder maakte Horney bezwaar tegen Freud's
concepten zoals het libido, doodsinstinct en penisnijd waarvan ze vond dat deze
beter uitgelegd konden worden door de sociale en culturele condities in
aanmerking te nemen. Ze maakte bezwaar tegen het idee van penisnijd, waardoor de
vrouwenpsychologie niet méér werd dan een afstammeling van de mannenpsychologie
en dat vrouwenpsychologie niet in staat was geslachtsonderscheidend gedrag te
verklaren. Horney geloofde dat de primaire oorzaak voor het zich later
ontwikkelen van neuroticisme, iemands angstige jeugdervaringen zijn, een
jeugdperiode waarin het kind zich 'geïsoleerd en hulpeloos voelt in een
potentieel vijandige wereld'. De diverse strategieën die het kind zich eigen
maakt om met angst om te gaan kan zich eventueel 'vastzetten' en irrationeel
worden, waardoor neurosen en persoonlijkheidsstoornissen ontstaan. Veel van
Horney's ideeën, ontstonden tijdens haar lange klinische praktijk en werden
vertaald naar een nieuwe benadering van de psychoanalytische therapie. Ze dacht
patiënten te helpen door het achterhalen van de oorzaak van hun huidige
angstklachten. Ze vond dat het even belangrijk was, als doel van de
psychoanalyse, om het 'dagelijks leven' te betrekken; de problemen van alle dag
diende eveneens om de emotionele stadia en fantasieën uit de kindertijd te
reconstrueren. In veel gevallen geloofde ze dat patiënten zelf hun eigen analyst
konden zijn. Haar weigering om de strikte Freudiaanse leer aan te hangen
veroorzaakte dat Horney's in 1941 geroyeerd werd uit het New York
Psychoanalytisch Instituut, waardoor ze vrij was een nieuwe groep op te richten
welke de 'Association for the Advancement of Psychoanalysis' werd genoemd. Ze
bleef schrijven, bijzonder begaafd en authentiek overigens (noot: schrijver),
zoals de boeken: "Our Inner Conflicts" (1945) en "Neurosis and Human Growth"
(1950) waarin ze haar denkbeelden verder ontvouwde. Horney's analyse van de
oorzaken en dynamica van het neuroticisme en haar vernieuwde ideeën van Freud's
persoonlijkheidstheorie is tot op heden invloedrijk gebleken.
hot cognition (~)
Visie op cognitie waarbij de invloed van affectieve processen op
informatieverwerking betrokken wordt in de studie van cognitieve processen.
Hull, Clark Leonard (~)
(1884-1952) Amerikaans psycholoog bekend om zijn experimentele studies over
leren en zijn pogingen om de psychologische theorie, in wiskundige termen te
beschrijven. Hij paste een deductieve redeneermethode toe zoals gebruikelijk in
de meetkunde, en stelde voor dat een serie beweringen over de psychologie
ontwikkeld en van daaruit logische conclusies afgeleid en gecontroleerd konden
worden. Als een testcontrole mislukte, kon de bewering worden aangepast en als
de testcontrole slaagde dan kon de bewering worden toegevoegd aan het raamwerk
van de psychologische wetenschap.
Als student aan de universiteit van Michigan in Ann Arbor, kreeg Hull interesse
in de psychologie en ontving in 1918 zijn doctoraal aan de universiteit van
Wisconsin, Madison. Hij ging toen bij de faculteit in Winconsin werken en hield
zich bezig met het voorspellen en meten van persoonlijke aanleg, wat in 1928 tot
zijn eerste publicatie "Aptitude Testing" (1928) leidde. Hij kreeg interesse in
hypnose, nadat hij in 1929 op dit gebied experimenten bijwoonde en verbonden was
aan het Instituut voor Human Relations aan de Yale Universiteit. Het resultaat
van zijn nauwgezette wetenschappelijke studies vormde in 1933 de basis voor zijn
"Hypnosis and Suggestibility". Tijdens de beginjaren aan Yale, begon Hull zijn
globale gedragstheorie te formuleren, die hij op verschillende principes
baseerde en vanuit een verschillende basis. Hij nam bepaalde concepten over
zoals conditioneren van de Russische arts Ivan Pavlov en verder van Amerikaanse
psychologen zoals John B. Watson, die de nadruk legde op de objectieve kant van
gedragsstudies en Edward L. Thorndike, die het belang benadrukte van de
bekrachtiging bij leren. De bekrachtigingstheorie voor leren vormde de basis
voor het belangrijkste deel van Hull's werk. De theorie verklaart gedrag in
termen van stimuli en reacties, die met elkaar verbonden worden tijdens het
leerproces. De neiging om een verbinding te leggen wordt versterkt als
bekrachtiging wordt gegeven, dat wil zeggen als de reactie een fysiologische of
psychologische behoefte bevredigt. Als een behoefte zoals honger bijvoorbeeld
minder sterk is, zoals een dier dat tijdens een laboratoriumproef verzadigd
wordt, heeft de bekrachtiging (bijvoorbeeld voedsel) minder effect en het dier
presteert minder goed op leertaken. Aan de andere kant veronderstelde Hull dat
dieren sneller zouden leren naarmate de fysiologische behoefte of drijfveer
sterker is, en naarmate de bekrachtiging de stimulus sneller opvolgde; dit
laatste heeft hij via experimenten later bevestigd. Volgens Hull kon complex
gedrag verklaard worden door een serie van simpele reactie-mechanismen. Hull's
leertheorie werd voor het eerste weergegeven in "Mathematico-Deductive Theory of
Rote Learning" (1940), geschreven in samenwerking met zijn medewerkers. Hierin
gaf hij zijn ervaringen en beweringen weer in zowel wiskundige als verbale
termen. Hull geloofde dat de psychologie zijn eigen wetten met grootheden had en
in wiskundige vergelijkingen waren uit te drukken. Hij ontwikkelde deze ideeën
verder in "Principles of Behavour" (1943), waarin hij stelde dat de
stimulus-responsverbinding afhankelijk was van zowel de soort- als de
hoeveelheid bekrachtiging. Zijn blijvende nalatenschap aan de psychologie is
vooral zijn denken over de gedragsbenadering, en minder zijn specifieke
theorieën.
Husserl, Edmund (~)
(1859 - 1938) Duits filosoof, stichter van de wijsgerige fenomenologie,
studeerde astronomie, wiskunde en fysica te Leipzig en te Berlijn en promoveerde
in 1882 te Wenen op het filosofisch-mathematische proefschrift "Beiträge zur
Variationsrechnung".
Onder invloed van Franz Brentano ging Husserl de filosofie als zijn eigenlijke
levensroeping zien. Uit joodse ouders geboren, werd Husserl in 1886 lutheraan.
In 1901 werd hij extraordinarius te Göttingen en, na daar in 1906 met veel
moeite een persoonlijke leerstoel te hebben verworven, in 1916 opvolger van
Rickert te Freiburg im Breisgau. Husserl, die tijdens zijn leven betrekkelijk
weinig publiceerde, liet bij zijn dood 40.000 bladzijden aan manuscripten na. In
1938 redde H.L. van Breda (1911-1974) deze nalatenschap uit
nationaal-socialistische handen en bracht ze naar Leuven, waar hij een
Husserl-archief stichtte, uitgegeven in de volumineuze serie Husserliana. In
Husserls carrière en werk valt een aantal tegenstrijdigheden op. Vooreerst is er
in zijn lange loopbaan de teneur van de fenomenologie; deze lijkt heen en weer
te gaan tussen realisme en idealisme. Terwijl Husserl omstreeks 1910
uiteindelijk de idealistische richting koos, overheerste bij zijn belangrijkste
adepten veeleer een meer realistische boventoon. Vervolgens is daar de idee van
de methode die fenomenologisch zou moeten zijn, en waaraan Husserl heel zijn
leven verbeten heeft gewerkt. Bij gebrek aan heldere regels lijkt de
fenomenologie methodisch echter min of meer mislukt; allerlei fenomenologisch
geïnspireerde denkers hebben er, op onderling zeer uiteenlopende manier, gebruik
van gemaakt: als van een koers, niet als van een strak procédé. In de laatste
tien jaar van zijn leven ontwikkelde Husserl, deels onder invloed van Dilthey,
het begrip leefwereld (Lebenswelt). Deze notie zou vooral door het succesvolle
werk van Sartre en Merleau-Ponty ook na de Tweede Wereldoorlog een vruchtbare
rol spelen in de zgn. existentiële fenomenologie (zie existentiefilosofie). Maar
ook Habermas en een aantal Britse en Amerikaanse aanhangers van de analytische
filosofie voelen zich erdoor geïnspireerd. In Husserls gepubliceerd werk bleef
het echter een marginaal aspect. In zijn eerste publicaties, "Über den Begriff
der Zahl" (1887) en "Philosophie der Arithmetik" (1891), was Husserl nog
psycholoog. Hij meende de oorsprong van de grondbegrippen van de wiskunde te
kunnen vinden in een analyse van het subjectieve bewustzijn. Later zag hij in
dat dergelijke apriorische begrippen in geen enkele empirische beschrijving
gefundeerd kunnen worden, omdat ze een boventijdelijke geldigheid bezitten. In
het eerste deel van zijn Logische Untersuchungen (1901) toont Husserl op
scherpzinnige wijze aan dat men absoluut geldende wetten, zoals die van de
logica, niet kan funderen in een empirisch-inductief onderzoek. Pas in 1900
verruilde hij de term 'beschrijvende psychologie' voor 'fenomenologie'. Husserls
latere ontwikkelingsgang wordt vooral bepaald door het probleem hoe de
wezensanalyse van het bewustzijn, zoals de descriptieve psychologie die biedt,
zich verhoudt tot de empirische verklarende psychologie, die Husserl,
overeenkomstig het dominerende experimenteel-positivistische karakter ervan, als
een natuurwetenschap zag. In zijn "Ideen zu einer reinen Phänomenologie und
phänomenologischen Philosophie" (1913) geeft Husserl voor dit probleem een
radicaal idealistische oplossing. Het bewustzijn opvatten als psychofysische
eenheid, verraadt een 'natuurlijke instelling'. Dit is een instelling die aan de
materiële natuur, die in werkelijkheid slechts een afhankelijk
bewustzijnscorrelaat is, een van het bewustzijn onafhankelijk bestaan toekent.
Het bewustzijn, dat in feite de oorsprong van de materiële natuur is, beschouwt
men dan uiteindelijk als een in die natuur gefundeerde realiteit. Slechts door
een uitschakeling van deze instelling, door Husserl 'transcendentale reductie'
genoemd, is een radicale overwinning van het naturalisme mogelijk. In Husserls
laatste werk, "Die Krisis der europäischen Wissenschaften und die
transzendentale Phänomenologie" (1936, 21954), trok vooral zijn theorie van de 'Lebenswelt'
de aandacht. Dit is een beschrijving van de wereld zoals die gegeven is in de
alledaagse, pretheoretische ervaring en die volgens Husserl ook voorondersteld
blijft bij elke wetenschapsbeoefening.
- I -
iatrogenese (iatrogenesis)
Veroorzaakt door van 'iatrogene effecten'..
iconisch geheugen (iconic memory)
Kortetermijngeheugen. Na een korte aanbieding van gegevens blijven deze
gedurende circa 1 seconde in het iconische geheugen beschikbaar voor inspectie
door de persoon.
impliciet geheugen (implicit memory)
Informatie die in het impliciet geheugen is geregistreerd, kan het gedrag van
proefpersonen beïnvloeden zonder dat deze informatie expliciet behoeft te worden
gereactiveerd.
impliciete-persoonlijkheidskenmerken (implied personality dispositions)
Schema over persoonlijkheidskenmerken waarin relaties tussen deze kenmerken zijn
aangegeven.
implosieve therapie (implosive therapy)
Zie flooding.
impulsbeheersing (impuls control)
Het geen of onvoldoende beheersing hebben over bepaald gedrag.
incentive (incentive)
Een prikkel die uitgaat van de kwantitatieve en/of kwalitatieve eigenschappen
van een doelobject en waardoor het individu aangetrokken wordt.
incidenteel geheugen (incidental memory)
Indien informatie zodanig in het geheugen wordt geregistreerd dat zij een
aantoonbare invloed heeft op later gedrag, en indien het opslaan van deze
informatie plaatsvindt zonder dat er sprake is van een expliciete leerintentie,
dan wordt een dergelijk leerproces aangeduid als incidenteel leren.
incoherentie (incoherency)
Hiervan is sprake als verbale uitingen voortkomen uit opvallende denkstoornissen
zoals onsamenhangde of verwarde gedachten zoals bij psychotische stoornissen.
indringende gedachten (intrusive thoughts)
Zich steeds weer opdringende gedachten (vaak na een trauma).
informatieverwerkend systeem (information processing system)
De mens is in principe een informatieverwerkend systeem. In de cognitieve
psychologie gaat men ervan uit dat de mens als informatieverwerkend systeem
vergeleken kan worden met een 'computer' die informatie verwerkt.
inhibitorische conditionering (inhibitoric conditioning)
Een proces waarbij de voorwaardelijk reactie wordt onderdrukt.
integratie (integration)
Het maken tot of opnemen in een geheel. Het ordelijk samenvatten, combineren en
associëren van informatie zodat een ordelijk en overzichtelijk geheel ontstaat.
intelligent gedrag (intelligent behaviour)
Gedragingen die gebaseerd zijn op beredeneerde overwegingen.
intelligentie (intelligence)
De vaardigheid goed problemen op te kunnen lossen, goed te kunnen leren, veel te
weten en effectief keuzes te kunnen maken. Het is zoiets als verstandelijk
vermogen, schranderheid of competentie. Binnen de psychologie is het nog niet
gelukt een sluitende omschrijving te geven van wat het begrip intelligentie nu
precies inhoudt. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot de uitspraak dat
intelligentie 'datgene is wat een intelligentietest meet'. Intelligentie wordt