Autisme behandeling
Straffen en belonen: aansluiten bij het belangstellingsniveau van het kind.
|
|
Over Autisme, Autisme bevraagd en beschreven. Landschip & Loes Modderman. Uitgeverij EPO, Berchem-Antwerpen & Autisme centraal, Gent 2004ISBN 90 6445 365 9 Distributie in Nederland: Centraal Boekhuis BV Culemborg & Scholtens Sittard |
Bron: NVA
Engagement Special september 1990
NVA startpagina
Annelie Schenk
Corrie Hellingman
Ina van Berckelaer-Onnes
Ria Stegehuis
Deze Special kon niet tot stand komen zonder de financiële bijdrage van het
Nationaal Fonds voor de Geestelijke Volksgezondheid.
Bij de pervasieve ontwikkelingsstoornissen wordt een onderscheid gemaakt tussen de autistische stoornis en de aanverwante contactstoornis, waarbij de autistische stoornis als de meest ernstige vorm wordt beschouwd. [In 1996 heeft de NVA zijn naam gewijzigd in 'voor mensen met een aandoening uit het spectrum van autistische stoonissen' onder andere om aan te geven dat de aanverwante contactstoornissen minstens zo ernstig zijn - commentaar van uw webmaster]
De oorzaak (oorzaken) van autisme is (zijn) nog niet bekend, al wijst recent onderzoek met steeds meer evidentie in de richting van een organische bepaaldheid. Het gaat vermoedelijk om meerdere oorzaken.
In deze Special wordt niet verder ingegaan op de autistische stoornis zelf, we richten ons op concrete handelingsadviezen. Deze adviezen zijn gerelateerd aan de door Rutter (1985) aangegeven behandelingsstrategieën. Rutter meent dat gezinnen met een autistisch kind ondersteund moeten worden. De ouders dienen begeleiding te krijgen in de zware taak waar ze zich voor gesteld zien, zowel in emotionele als in praktische zin. Dit betreft niet alleen begeleiding bij de verwerkingsproblematiek, maar ook praktische steun als het regelen van oppas, speciale woonaanpassingen, etc.
Naast deze meer oudergerichte doelen is het van belang dat er kindgerichte behandelingsplannen worden samengesteld. Deze dienen, aldus Rutter, de volgende doelen na te streven:
Het eerste doel vloeit voort uit de opvatting dat autisme een ontwikkelingsstoornis is. Er is duidelijk sprake van een abnormale ontwikkeling, aldus Rutter. Waar en voor zover een normale ontwikkeling mogelijk is, dient deze ondersteund en bevorderd te worden.
Onder specifieke verschijnselen verstaat Rutter gedragsverschijnselen die direct uit het autistische syndroom voortvloeien, zoals rigiditeit die zich o.a. uit in weerstand tegen veranderingen en stereotype wijze van omgaan met bepaalde voorwerpen.
Als non-specifieke verschijnselen ziet hij problemen die niet direct voortvloeien uit het autisme. Bij de specifieke verschijnselen hanteert Rutter bewust het woord "vermindering", daar deze nooit echt zullen verdwijnen. Ze blijven als het ware op de achtergrond aanwezig. Bij de non-specifieke problemen spreekt hij van "eliminering", omdat deze wel vaak samengaan met autisme, maar van voorbijgaande aard blijken te zijn, al vraagt het dikwijls een zeer lange adem (zoals bijvoorbeeld eet- en slaapproblemen) Van Berckelaer-Onnes en Kwakkel 1988 .
In het navolgende zullen we aan de hand van de door Rutter geformuleerde behandelingsdoelen een aantal handelingsadviezen aanreiken, te beginnen met de kindgerichte aktiviteiten.
Rutter noemt een aantal gebieden binnen de normale ontwikkeling die bij de behandeling van autistische kinderen een specifieke rol spelen: de sociale ontwikkeling, de taalontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling en het leerproces. Uiteraard kunnen deze gebieden niet los van elkaar gezien worden en spelen ze op elkaar in.
Voordat we op deze aspecten ingaan, willen we echter eerst aandacht besteden aan de ontwikkeling van de motoriek, het spel en de zelfredzaamheid. Ook tenaanzien van deze gebieden voltrekt de ontwikkeling zich bij autistische kinderen anders. Daarbij kunnen zij als belangrijke voorlopers voor de cognitieve ontwikkeling en het leerproces gezien worden.
Stereotiepe bewegingspatronen zijn kenmerkend voor het autistisch syndroom. Een autistisch kind maakt veel eigenaardige bewegingen. Het "klapwiekt" met de armen en de handen, springt op en neer en maakt vaak grimasbewegingen. Sommige kinderen lopen voortdurend op hun tenen en houden daarbij soms de benen stijf. Veel autistische kinderen draaien met voorwerpen of friemelen met de vingers voor hun ogen. De motoriek is vaak zeer stereotiep: het kind wiegt minutenlang ritmisch heen en weer met romp of hoofd, spint om zijn as, of wappert met de handen. Deze stereotiepe bewegingspatronen kunnen zich al op jongere leeftijd manifesteren en zijn door de ouders vaak moeilijk te doorbreken. Veel van deze stereotiepe bewegingen hebben een zelfstimulerend, lustvol karakter voor het kind.
Bij veel autistische kinderen wijkt de grove motorische ontwikkelling aanvankelijk niet af van het normale patroon: de baby begint spontaan zijn hoofdje op te tillen, zich om te draaien, zich op te trekken etc. In vergelijking met het zich normaal ontwikkelende kind gaat het autistische kind vaak op later leeftijd staan en lopen. Soms lijkt het alsof het kind de fase van het vallen en opstaan overslaat. Het is niet zelden dat een autistische peuter plotseling los kan lopen terwijl hij daarvoor alleen maar had gekropen. De motorische ontwikkeling verloopt vaak met horten en stoten: een achterstand op een bepaald gebied kan worden gevolgd door een plotselinge 'inhaalmanoeuvre'. Opmerkelijk is de dysharmonie in de motorische ontwikkeling. Het kind is zeer behendig in het verrichten van motorische activiteiten die zijn belangstelling hebben (bijvoorbeeld het lopen over een richel, het bedienen van de pick-up), terwijl het kind een zeer onhandige indruk maakt als het dingen moet doen die het niet prettig vindt (bijvoorbeeld zichzelf aankleden). Net als de autistische kleuter heeft het autistische schoolkind een houterige, weinig gracieuze motoriek. Stereotypieën (bijvoorbeeld op de tenen lopen) blijven herkenbaar, maar verminderen naarmate het kind ouder wordt. De eerder genoemde discrepantie tussen verschillende motorische vaardigheden blijft bestaan. Opvallend is het geringe en vaak verstoorde lichaamsbesef van autistische kinderen op deze leeftijd; een aantal kinderen herkent zichzelf niet in de spiegel of op foto's.
In deze periode is vaak sprake van een terugval in schijnbaar afgeleerde stereotypieën en primitieve gedragingen (bijvoorbeeld fladderen, alles in de mond stoppen, likken etc.). Met name bij de op laag verstandelijk niveau functionerende autisten is het gevangen zijn in de eigen lichamelijkheid opmerkelijk, terwijl de verstandelijk meer begaafde autisten vaak sterk dwangmatig zijn. Een aantal stereotiepe bewegingen hebben op deze leeftijd voor een autistische adolescent een lustvol karakter en kunnen tot seksuele opwinding leiden.
Bij het verbeteren van de grove motoriek is het belangrijk om uit te gaan van de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind. Tijdens het spel of de oefening moet de volwassene parallel meebewegen met het kind. Ook is het van belang naast het kind te gaan staan en niet er tegenover. Het spel of de oefening kan men stapsgewijs opbouwen , eerst voordoen, dan samen doen en tot slot alleen laten doen. Naast liedjes waarbij bewegingen moeten worden gemaakt zijn bewegingsspelletjes heel geschikt om de grove motoriek te verbeteren:
De handelingen die steeds herhaald moeen worden, kan men in kleine stapjes uitbreiden, Men moet daarbij niet vergeten het kind regelmatig te belonen. Ook bij het verbeteren van de fijne motoriek speelt de interesse en het ontwikkelingsniveau van het kind een grote rol. Men kan de hand van het kind leiden bij (motorische) aktiviteiten waar het kind moeite mee heeft. Door bijvoorbeeld het kneden van klei, het scheuren van papier en het maken van puzzels met knopjes, kan het kind meer kracht in de handen krijgen. Om meer kracht in de voeten te ontwikkelen kan het kind bijvoorbeeld met een blote voet over een gladde stok rollen. Wanneer men een specifiele motorische vaardigheid met het kind wil oefenen, bijvoorbeeld het grijpen, kan men de volgende oefeningen doen:
Om het richten van de vinger naar een doel te verbeteren kan men gebruik maken van een drukbel, een speelgoedkassa en/of een muziekdoos. Door deksels los en vast te draaien, en bouten en moeren samen te voegen kan het kind spelenderwijs de draaibewegingen met de handen oefenen.
Ideeën om de oog-handcoördinatie te bevorderen:
Ideeën om de oog-voetcoördinatie te bevorderen:
Verven en tekenen kunnen een positieve invloed hebben op de fijne motoriek (bijvoorbeeld vingerverven, verven met een kwast, het tekenen van lijnen, cirkels en vierkanten, etc.). Ook hier geldt dat men de handelingen veel moet herhalen en stapsgewijs moet uitbreiden.
Het spel van autistische kinderen heeft de volgende kenmerken:
Een autistisch kind heeft geen of nauwelijks belangstelling voor dingen die de aandacht opeisen van elk ander kind dat opgroeit en zich normaal ontwikkelt. Een autistisch kind mist de nieuwsgierigheid om zijn omgeving te